Feeds:
Berichten
Reacties

Nooit de bioscoopzaal verlaten voordat de aftiteling voorbij is.

Dat leerde ik al in het eerste jaar van mijn studie geschiedenis in Stad (vak ‘Inleiding in de geschiedenis’ met Homme Wedman en Frank den Hollander, oh nee: Jaap den Hollander, pardon, Frank is van Rooie en Rinus en Pé Daalemmer). Dat bleek maar weer eens bij de ‘nieuwste’ film van Winnie de Pooh, de eerste De Pooh-film in 35 jaar. Gezien op een zondagochtend in Pathé in Groningen. Het monster Totzo bestaat! En is eigenlijk best wel een lief monster. Bleek.

Mijn forensenkrakfiets, met lekke achterband.

Mijn forensenkrakfiets, met lekke achterband.

Na afloop poffertjes eten op de Grote Markt bij Trijnko Nijboer met z’n Kaiser Wilhelm-snor. En daarna nog even snel naar de Noorderstationsstraat, iets voorbij die wiettent. Want daar zet ik mijn kleurige ´forensenfiets´ altijd neer. Ik heb een fiets in de stad, anders lukt het mij als forens niet op tijd om m´n werk te zijn. Veel ellende mee gehad de laatste tijd. Twee keer in korte tijd voor- èn achterband laten plakken. En nu is m´n achterband alweer een week lek. En die wil ik thuis even zelf plakken.

Maar wat is dat? Er hangt een doorweekt briefje aanvast, met tekst. Een boodschap! Spannuuuund!

Mijn patroon ´s ochtends op een werkdag: trein, even lopen, fiets losmaken, de Boteringestraat doorfietsen, fiets vastmaken bij de Waagstraat en acht uur lekker werken. Patroon na vijf uur: fiets losmaken, Boteringestraat doorfietsen, fiets parkeren en vastmaken iets voorbij die wiettent dus op tweehonderd meter voor het Noorderstation.

Het Noorderstation.Het Noorderstation.

Het Noorderstation.

Het is een echte stadsfiets, die fiets van mij. Een krakfiets van jewelste met prachtig gekleurde streepjes. Vorig jaar gekocht voor 35 euro of zo, op de Vismarkt van een handelaar die verzekerde dat het geen gestolen fiets was. Dat geloofde ik toen maar.

Een half jaar geleden had ik nog maar een paar minuten om de trein op ´Noord´ te halen. Ik haasten. Stond er naast mijn kleurige fiets een meisje een briefje te schrijven, voor mij! Haar vader stond naast haar met de armen over elkaar te wachten. Wat bleek: zij had járen geleden die – mijn – fiets zo geschilderd, met al die vrolijke kleurtjes. En toen was ie gestolen. En toen was zij naar Leeuwarden vertrokken. En nu, toen ze na lange tijd weer eens terug was in de stad, zag ze haar fiets weer terug! Ze was dolenthousiast en was bezig deze informatie op dat briefje te pennen.

“En nu wil je hem terug zeker”, reageerde ik wantrouwend.
“Nee joh”, zei het meisje, nog steeds heel opgetogen. “Ik woon hier al lang niet meer. Ik wilde alleen even laten weten dat ik het heel leuk vind dat er nog iemand op rijdt.” !

Een heus schilderij van mijn forensenkrakfiets!

Een heus schilderij van mijn forensenkrakfiets!

En nu heeft weer iemand een briefje aan mijn fiets vastgemaakt. Het zit in een doorweekt plastic zakje. Ik leg het in de auto, maakt m´n fiets los en leg het felgekleurde vervoermiddel in de kofferbak. Hopelijk flikkert ie er onderweg niet uit of word ik aangehouden. Op weg naar huis leest mij vriendin het natte kaartje voor. Op de achterkant staat een plaatje…. van mijn fiets! Het is een schilderij. Een heel mooi schilderij, van mijn forensenkrakfiets!

“Hallo eigenaar van deze bijzondere fiets. Zoals je kunt zien heb ik van jouw fiets een schilderij gemaakt. Ik vind ´m zo tof, elke keer als ik er langs fiets word ik er weer vrolijk van. ”

Zo hé! Iemand word vrolijk van mij! Da´s nieuws! En goed nieuws! Althans, van mijn fiets wordt iemand vrolijk, maar da’s nog steeds goed nieuws. Nota bene van mijn fiets waar ik zelf al niet meer al te vrolijk van word, van al die lekke banden.

"Ik vind 'm zo tof, elke keer als ik er langs fiets, word ik er weer vrolijk van."

"Ik vind 'm zo tof, elke keer als ik er langs fiets, word ik er weer vrolijk van."

“Als je het schilderij wilt komen bekijken, ben je van harte welkom. ” De schilder geeft het adres. “Hier vlakbij het station.” Maar waarschuwt wel: “Over een paar weken gaan we verhuizen, dus wacht niet te lang. ”

Is getekend: Diet Alblas. Ah, een schilderes dus!

Wouw, wat een eer. Mijn forensenkrakfiets vereeuwigd!

Thuis snel even googlen natuurlijk. Oh… ze is de vrouw van een ex-collega van mij, hij is onlangs vertrokken. Ook toevallig! Een hoge pief trouwens, die man van haar, toen hij nog bij de gemeente Groningen werkte. Hij was één van de directeuren bij de dienst RO/EZ. En ze schildert, Diet! Heb ik gemerkt. “Portretten, maar ook koeien en kippen”, meldt ze op een site. Maar dus ook kleurige krakfietsen in de stad! In ieder geval die vrolijke van mij!

Diet heeft er een kaartje bij gedaan, met vier portretten van steeds hetzelfde kindje dat als clown is geschminkt, met haar e-mail en zelfs 06-nummer. Ik ga deze week nog contact opnemen. Misschien woont Diet nog in Groningen. En kan ik het schilderij van mijn krakfiets zèlf bewonderen!

Advertenties

De Slegteman! Daar zit ie. Helemaal alleen op het terras van het cafeetje onder het Noorderstation. De benen over elkaar, net niet in de zon. Het is vier uur op 21 juli.

De Slegteman rookt Elegant

De Slegteman rookt Elegant

De Slegteman, éen van mijn hoofdpersonages uit Heen en weer op het Hogeland, de boekverkoper uit de Herestraat (zie Heen en weer op het Hogeland, 10 juni, heen), rookt een sigaartje, merk Elegant, het kistje ligt op tafel. Naast het sigarenkistje ligt de biografie van Willem Elsschot, een Nederlands schrijver, bekend van Lijmen/Het been en Kaas. Da’s ook toevallig, dat boek van Vic van de Reijt heb dit voorjaar van mijn schoonouders voor mijn verjaardag gekregen! Zwaar boek, 400 bladzijden, heel wat dikker dan de boeken van Elsschot zelf. En met een prachtig oranje koordje eraan als boekenlegger.

De Slegteman leest Elsschot

De Slegteman leest Elsschot

Even over Elsschot dan maar. Ik wilde eerst een boek van hem te lezen voordat ik aan z’n biografie zou beginnen. Ik had Lijmen/Het been nog ergens in de kast staan, een afgeschreven exemplaar uit de bibliotheek van Stadskanaal, dus die werd het. Ik las het heen en weer naar m’n werk in de trein.
‘Satirische roman over een handige oplichter, die zakenlieden “lijmt” om reclame te maken in een niet bestaand “Wereldtijdschrift”, maar naderhand wroeging voelt.’ Dat stond er in de kaft. Maar deze satire begreep ik niet goed. Of ik heb iets gemist, kan ook. Drama vond ik het, niks aan. Zelden zo’n langdradig saai boek gelezen. Zo langdradig dat het bijna verslavend werd, want ik heb het wel uitgelezen. Ik betrapte me erop dat ik het slot zelfs nog wel grappig vond ook. Ik kan me herinneren dat een vriendje van mij op het Fivelcollege, mijn middelbare school in Delfzijl, z’n boekbespreking over Lijmen/Het been deed. Zal hem nog eens naar zijn oordeel vragen. Hopelijk is de biografie beter.

De Slegteman drinkt sherry

De Slegteman drinkt sherry

Terug naar de Slegteman.
De Slegteman blaast de sigarenrook uit z’n mond, neemt een sip van z’n ik denk sherry, witte port zou ook kunnen, en gooit de sigarenpeuk wel vijf meter ver. Onmiddellijk pakt hij het kistje, haalt er een nieuwe sigaar uit en steekt hem aan met een witte aansteker.

Zou hij z’n pijp hebben afgezworen? Hij was zo’n verstokte pijproker.

De Slegteman bladert wat in z’n Elsschot-boek, leest wat, bekijkt wat foto’s en klapt het boek weer dicht.

Zou hij die tweedehands in z’n eigen winkel op de kop hebben getikt?

Opeens is hij weg. Maar z’n boek en sigaren liggen nog op tafel. Even plassen misschien. Of nee, z’n sherry betalen natuurlijk. Z’n trein naar Winsum komt er zo aan.

De Slegteman forenst nu zonder vouwfiets

De Slegteman forenst nu zonder vouwfiets

De Slegteman klimt langzaam de lange Noorderstationstrap naar boven, zònder vouwfiets! Da’s ook wat, zou hij nu lopen naar De Slegte?

Zo hé. Geen pijp en vouwfiets meer, de twee voorwerpen die zo bij De Slegteman hoorden. Er is heel wat veranderd sinds Heen en weer op het Hogeland.

“Een fijne dag nog.”
“U ook.”

Mooi moment op het Noorderstation. Zeven juli 2011, vijf over half zes. De trein naar Delfzijl komt vanaf het hoofdstation. Twee hoofdpersonen uit Heen en weer op het Hogeland stappen achter elkaar de trein uit en groeten elkaar. De Viking en de Blinde Vrouw met de blindengeleidehond.

Het klinkt alsof ze elkaar op dat kleine stukje tussen Hoofd en Noord een praatje met elkaar hebben gemaakt. Zou Heen en weer verbroederen? De Viking kent het boek, weet ik van zijn en zijn moeders reacties op deze site. Heeft hij de Blinde Vrouw met de hond uit het boek hebben herkend? Heeft hij zijn medepersonage daarom hebben aangesproken? Wist de Blinde Vrouw al dat ze in mijn treindagboek staat?

“Een fijne dag nog.”
De Viking zegt het hoffelijk.

“U ook.”
De Blinde Vrouw zegt ‘u’ tegen de Viking. Misschien heeft ze niet door dat ze een stuk ouder is dan de Viking die eind 2009 op kamers ging.

De Viking pik je er altijd uit, zelfs al draagt hij een camouflagebroek.

De Viking pik je er altijd uit, zelfs al draagt hij een camouflagebroek.

De Blinde Vrouw met de blindengeleidehond slaat links af, richting het schuine stuk naar beneden. De Viking, een wijde camouflagebroek om de benen, stapt richting stationstrap. En hij steekt z’n hand op, als extra groet. Maar dat ziet de Blinde Vrouw natuurlijk niet. De Viking schiet in de lach. Dat bedenkt hijzelf waarschijnlijk ook.

Reispijn

Mijn rechteroor doet pijn. En dat is de schuld van de machinist in mijn terugtrein. Die floot keihard op z’n fluit toen ik langs hem liep. Hard! Niet meer normaal. Het is nu vijf uur geleden en mijn oor suist nog steeds.

Op het perron van Bedum was het. Maandag 24 januari 17.16 uur. Ik nam een trein eerder om met zoontje terug naar huis te kunnen rijden. Hij had voor de tweede keer zwemles. In Bedum stap je uit de trein en dan moet je langs het machinistenhok naar de spoorwegovergang lopen. Die is dan altijd dicht omdat eerst de trein er nog langs moet.

Maar dan de rechter

Maar dan de rechter

Ik loop dus langs de machinist die uit z’n hok hangt, afstand: een metertje of zo. Op dat moment fluit hij snoeihard. Zeker twee seconden lang.

Pijn! Au! M’n rechteroor. Ik grijp naar m’n oor.
“Hé joh”, zeg ik aangeslagen, te zacht voor de machinist om te horen.
Het raam is al weer dicht en de trein vertrekt richting Delfzijl.
Ik sta te wachten totdat hij voorbij is. En ik heb pijn, ik ben doof en ik ben boos. Hoe kan hij dat nou doen? Knetterhard op je fluit blazen als er reizigers langslopen. Wat maakt ie me nou? Dat kan toch niet in het Handboek voor de machinist staan? Beetje de passagiers een gehoorbeschadiging mee naar huis geven. Met de groeten van Arriva, goede reis naar huis verder!

In de auto op weg naar huis vertel ik het mijn vriendin en zoontje, de muts op de nog natte haren. Hij wil begrijpt er niks van.
“Doet het erg pijn?”, vraagt hij bezorgd vanaf de achterbank.
“Ja.”
“Ben je naar hem toe gegaan?”
“Nee, het ging zo snel. De trein was zo weer weg.”
“Dan moet je een brief schrijven!”

Ik weet niet waar hij het vandaan haalt. Heen en weer op het Hogeland – waarin ik ook twee keer klaag, maar dan over volle treinen – kan hij niet gelezen hebben. Hij kan nog niet eens goed de 6 van de 9 onderscheiden. Maar hij heeft gelijk, die kleuter van mij: ik moet een brief schrijven.

Ik ga een brief schrijven. De NS kreeg deze winter weer alles en iedereen over zich heen omdat ze niet waren voorbereid op de winter, ondanks de vorige. Maar geen kwaad woord over Arriva. De trein was steeds op tijd tussen Groningen en Delfzijl.

Is het bijna voorjaar en ga ik toch nog bij Arriva klagen. Niet over sneeuw of ijs maar over het fluitgedrag van de machinist. Heen en weer op het Hogeland staat bol van grote en kleine ergernissen. Maar sinds het uitkomen van het boek valt er eigenlijk niks meer te klagen, zo ‘smooth’ ging alles.  Maar nu niet meer! Ik heb een klacht! Die machinist verdient een oorvijg.

Ik mocht weer een stukkie schrijven voor Goede Reis!, het reizigersmagazine van Arriva. Mooi. Ik tikken en doormailen. En toen niks. Geen Goede Reis! met mijn column in de trein. Helemaal geen Goede Reis! in de trein. Ik had van de uitgever het aanbod gekregen om na elke uitgave met mijn column een exemplaar thuisgestuurd te krijgen. Hoeft niet, zei ik. Ik zie hem ja wel in de trein. Nee dus.

kaartjesautomaat

Kaartjesautomaat in Stedum, alleen met munten, pinpas lukt niet.

Ik moest naar Steenwijk. Ook zo wat. Eerst met munten een enkeltje Stad kopen, want de kaartjesautomaat op station Stedum pakt mijn twee pinpassen niet. En op het hoofdstation met pin, want daar lukt het wel, een kaartje naar Overijssel kopen.

Ik had nog wat tijd. En ik liep, oude gewoonte, lees Heen en weer, de Arriva Store op het hoofdstation binnen. Een goedlachse Arriva-medewerker had baliedienst. Er lagen drie stapeltjes Goede Reizen! Op de plank. Ik gelijk kijken. En ja hoor, ik stond er in met mijn stukje over medepassagiers die de godsganse reis tegen je aan lopen te lullen zonder dat je er iets tegen kun doen. Ik begreep het ‘zwart’ en ‘wit’ op beide pagina’s niet zo goed, maar ik vond het allang best dat ik het weer had gehaald.

Ik pakte drie bewijsnummers voor thuis.
“Neem nog maar een paar hoor”, zei de balievrouw uitnodigend. “Ik heb nog dozen vol achter staan.”

Pffff, of ik dat nou wilde horen… Ze zouden als warme broodjes…
Ik ging voor haar staan.
“Nu je er toch over begint”, begon ik, “Wie zorgt er eigenlijk voor dat dit in de trein komt?” Ik hielde mijn drie Goede Reizen! omhoog.
“Ja want”, ging ik verder, “ik sta er zelf ook in hè. Dit ben ik.” Ik bladerde naar pagina 16 en 17 waar mijn stukje stond. Met mijn foto en al.
“Oh, ik dacht al”, zei de balievrouw. En ze werd nóg goedlachser dan ze al was.
“Ik heb al heel lang geen Goede Reis! in de trein gezien. Dit is de eerste keer dat ik dit nummer zie.”
“Hij is net uit”, zei de Arriva-medewerkster. “Echt net. Een steward legt ze in de trein, de perronopzichter. Maar die heeft vakantie!”

arrivastore
De Arriva Store op het hoofdstation: ‘Je mag ze ook zèlf in de trein leggen!’

Het was me nog niet geheel duidelijk. Is het nu een steward die ook op de treinen als conducteur werkt of de perronopzichter die de exemplaren op de rekken in de Spurt-treinen legt. Duidelijk was wel dat de verantwoordelijke vakantie had en dus de Arriva Store met dozen vol Goede Reizen! zat. Mmmmmm, jammer.

“Wil je een doos?”, vroeg de Arriva-medewerkster. “Kun je ze zelf in de trein leggen!”
”Ja hé!”, zei ik quasi-verontwaardigd. “Dát doe ik dus niet!” Beetje m’n eigen stukje verspreiden zeker! Pfff! En om aan te geven dat ik dat dus echt niet zou doen ,zei ik nog een keer: “Dát doe ik dus niet!”

Maar bij nader inzien was dat toch wel een goed idee. Gelukkig lag de maandag erop het najaarsnummer met mijn stukje ‘Treinpraat’ gewoon in de trein. Hoefde ik het gelukkig niet zelf te doen.

Nou, de drie minuten heb ik gehaald! Ik heb het gered om de achttien hoogbegaafde kindjes van de bovenbouw van de Leonardoschool in Delfzijl toch zeker dik een uur bezig te houden zonder dat ze de boel afbraken. Dat was op 5 november 2010.

"Leuk stukje horen?"

"Leuk stukje horen?"

Toch had ik er een na-drie-minuten-roep-ik-heel-hard-ik-vind-het-niet-interessant-kindje bij zitten: een meisje achter in de klas. Maar meester Koen wist dat natuurlijk ook.

En toen dat meisje na drie minuten verveeld hangen – terwijl ik toch zo voortvarend was begonnen: “Wie reist er wel eens met de trein?” “En heb je ook wel eens moeten wachten op een vertraagde trein?”, en ze kwamen hoor, de vingers in de lucht – opmaakte voor haar ik-vind-het-niet-interessant-leus, kwam meester Koen al met zijn digitale fotocamera aanzetten. Ze mocht foto’s maken van de schrijver die haar niet echt kon boeien.
Dank je Milou, dankzij jou heb ik foto’s van mijn eerste les op een hoogbegaafdenschool. Vet goeie foto’s!

Ik heb wat verteld over het hoe en wat van Heen en weer. Over uitgevers, over boekpresentaties, publiciteit en dat je dan op tv en in de krant kan komen. Ging allemaal goed, stukje voorlezen (14 januari heen), stille kindjes, vragen, antwoorden, net een echte les!

"Hebben jullie dit fantastische boek al gelezen?"

"Hebben jullie dit fantastische boek al gelezen?"

“En nu ga ik het hebben over echte literatuur”, leidde ik het tweede gedeelte van mijn ‘optreden’ in. Ik had van alle leerlingen een verhaal over de steentijd gemaild gekregen. Die had ik gelezen en ik had aan de hand van die verhalen wat tips bedacht voor volgende verhalen.

In de klas zaten kinderen van negen tot en met twaalf jaar. En ik weet echt niet meer hoe ik dat vroeger op de lagere school heb gehad (CNS De Loods aan de Huibertplaat in Delfzijl, opgegaan in De Meerpaal) maar leestekens (Ik had het steeds over interpunctie, maar ik had natuurlijk ‘leestekens’ moeten zeggen, kun je je meer bij voorstellen) kennen deze Leonardokindjes nog niet.

Hoi zei de man tegen Shanoe toen die was opgestaan.
Hallo zei Shanoe terug.

Iemand zei zelfs wat doen jullie schorriemorrie hier in de stad, jullie horen bij de mijn aan het werk te zijn, maar daar reageerden ze niet op.

Daar gaat meester Koen nu dus wat aan doen!
Maar achttien leuke, originele verhalen gelezen, variërend van nog geen A4’tje tot elf kantjes. Met prachtige steentijdnamen als Kankira, Java, Phylax, Fiemier, Shanoe, Delco, Mimp en Alfred en Piet en Teun.

"Waar het in een goed boek om gaat, is dit..."

"Waar het in een goed boek om gaat, is dit..."

Op het laatst las ik het verhaal van Jikke uit groep zeven voor: De Mijn. Ze was de eerste versie op de computer kwijtgeraakt en heeft toen in geen tijd De Mijn geschreven. Ze dacht dat ze een heel erg droevig en verdrietig verhaal had gemaakt, zei ze na de les. Maar toen ik het voorlas, lag ze constant in een deuk. “Ik had niet door dat het eigenlijk een heel grappig verhaal was”, vertelde ze later.

En toen had ik tòch nog mijn na-drie-minuten-moment, gelukkig pas nà de les, na zeker vijf kwartier Heen en weer en schrijftips.
“Heeft iemand nu nog wat te vragen of te zeggen?”, vroeg ik.
“Ja”, riep een jongetje. “Mag ik weg?”

En achteraf begreep ik dat het al vijf minuten over twaalf was, de pauze was eigenlijk al begonnen.

"Omdat jullie zo aandringen, lees ik nog even wat leuks voor."

"Omdat jullie zo aandringen, lees ik nog even wat leuks voor."

Nou, juf Petra had gelijk hoor. De kindjes van De Roemte waren leuk en lief. Oh, fout, ik moet van juf Ada ‘Roemte’ zeggen. De school heet Roemte, geen De Roemte.
Ik was in Roemte, op 22 oktober 2010.
Klinkt wel een beetje gek hoor, juf Ada.

Leuk en lief ja, die Roemte-kindjes. Maar het duurde wel eventjes voordat ik daar achter kwam.

Vol = vol

Vol = vol

Ik mocht wat vertellen op de laatste dag van de kinderboekenweek van De Roe… van Roemte, een christelijke basisschool in Loppersum. Er waren allemaal ‘workshops’: gebakjes maken, boeken zoeken op de boekenmarkt, schminken en nog meer leuke kindjesdingen.
En ik.
De kinderen mochten zelf weten waar ze heen gingen. Dus kwam er tijdens de eerste workshop niemand bij mij. Kindjes renden druk heen en weer in de gang op zoek naar de leukste activiteit. En dat was dus niet bij mij. Geen één kind!

En de dag was al zo fijn begonnen. Geen kind en geen koffie. Stroomstoring in Loppersum. Dus geen diavoorstelling van de dik honderd foto’s die Maarten Westmaas voor mijn boek heeft gemaakt. Maar hoe erg was dat? Er was ook helemaal geen kindje in mijn lokaal.

Na vijf minuten was er tóch nog belangstelling voor mij. Drie kleuters met een moeder of kleuterleidster en een meisje met zwart geverfde lippen. Ze konden nergens meer naar binnen want alles was vol maar bij mij was nog plaats.
Ja zat!

De diepere lagen van Heen en weer verklaren voor kleuters leek mij geen goed idee.
“Ik ga wel wat voorlezen”, zei ik. “Ik haal wel even een boekje, wacht even.”
Ik haalde een paar boekjes en liet ‘mijn fans’ kiezen. Rupsje Nooitgenoeg moest het worden. Oké, fine, ook een goed boek. Ik las dus Rupsje Nooitgenoeg voor. De kleuters vonden het leuk zo te zien, het meisje met de zwarte lippen ook. Hoewel, die had het liefst zelf voorgelezen.
“Zal ik het even doen?”, bood ze aan. “Ik kan heel goed voorlezen.”
“Naaah”, zei ik, “Hoeft niet. Deze drie kleuters komen speciaal voor mij.”

Maar later mocht ik toch nog drie maal voor volle kringen mijn dingetje doen. Beetje vertellen over Heen en weer (“Ik sta hier omdat ik een boek heb geschreven. Niet echt een kinderboek, maar dat vond juf Petra niet erg.”) Beetje voorlezen, onder meer de column ‘Speeltrein’ uit Goede Reis! (Goede zet trouwens, vooral de kleuters lagen in een deuk.) En slimme vragen beantwoorden (“Waren er ook mensen boos toen ze erachter kwamen dat ze in het boek stonden?”)

"Genoeg over 'Rupsje Nooitgenoeg', nu wat over een boek waarvan je ècht geen genoeg kunt krijgen."

"Genoeg over 'Rupsje Nooitgenoeg', nu wat over een boek waarvan je ècht geen genoeg kunt krijgen."

Een ter plekke bedachte actie om kindjes in de kring bijnamen te geven, net als ik in Heen en weer met medereizigers had gedaan, had ook succes.
”Jij!”, zei ik en ik wees op een jongetje dat net was gesminkt en een zwarte stip op z’n neus had. “Jij zou ik Stippelneus noemen.”
Lachen! Bij ieder bedachte bijnaam kwamen ze niet meer bij, die leuke en lieve kindjes van De Roemte.
Het meisje met de zwarte lippen, dat voor de tweede keer bij mij was, sloeg ik over. Maar dat ging zo maar niet!
“Hoe zou je mij noemen?”, vroeg ze dwingend.
“De Zwarte Panter”, antwoordde ik, want ik wist dat ze verhalen schreef over een zwarte panter.
“Nee, de punker!”, zei het meisje met de zwarte lippen. “Want ik ben een punker.”
“Oh ja, tuurlijk, de punker. Jij bent De Punker.”

Na een uur was er ondanks de stroomstoring toch koffie! Hoera. Op de ouderwetse manier gezet: water koken en dan opgieten. Lekker bakkie was dat.

’s Middags mocht ik nog jureren bij de voorleeswedstrijd van De Roemte. Toen was de stroom weer terug en was er weer koffiezetapparatenkoffie.
Toch jammer, die opgietkoffie had ook wel wat.