Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Boek’

Voor het eerst sinds drie maanden weer in de trein naar Uithuizen gezeten. Toen, half december, stapte ik in Warffum uit voor m’n optreden in de bieb daar, nu twee stations verder op het vertrouwde station Uithuizen. Op verzoek van de Biebman van 9 januari en 2 april en inmiddels op deze website ook een vertrouwde verschijning. Hij vond het leuk als ik in de jury zou zitten van de regionale voorronde van de Nationale Voorleeswedstrijd.
En als de Biebman dat leuk vindt, vind ik dat ook! Dus daar zat ik woensdag 10 maart in de trein van zes over twaalf in de trein naar Uithuizen.

Ik herken zo gauw niemand bij het uitzoeken van een plek in de trein. Ik ga op een rustig plekje zitten, bij niemand in de buurt. Een jongen met een bril met belachelijk brede brillenpoten kijkt tussen twee rugleuningen door mij aan. Hij kijkt snel weer voor zich uit. Dat zal deze reis niet de laatste keer zijn. Herkent hij mij? Als voormalige medeforens op het Hogelandlijntje? Of heeft hij zich herkend in Heen en weer op het Hogeland
Hééé…. deze knakker zou best Dikkie Dik kunnen zijn, de ‘stevige jongen met een hoog, roodaangelopen hoofd’ van 24 juni en 17 juli. Maar helemaal zeker weet ik het niet. Het is al weer bijna twee jaar geleden dat ik Dikkie Dik heb gezien!

Warffum
We staan naast tegentrein Piet Oberman.
Vroeger, in ‘mijn tijd’, werd er nog gewoon in Usquert gekruist. Maar sinds de nieuwe dienstregeling (daarover later wellicht eens wat meer) sinds 19 december passeren de treinen elkaar in Warffum.

Uithuizen
Op het balkon staat het Zeurstemmetje van 10 april, 1 juli en 25 september in een blauwwit trainingspakachtig pak.
Dikkie Dik zegt iets tegen haar en het Zeurstemmetje zegt wat terug. Maar wat? Ik ben te ver weg om goed te horen of Zeurstemmetje nog steeds dat akelige zeurstemmetje heeft.

Ik ben vroeg. Ik heb nog tijd om naar de kapper te gaan. Dat wilde ik eigenlijk al voor de boekpresentatie op 31 oktober. Maar dat is er nog niet van gekomen. Nu kan het!

Ik loop door de Albert Hein naar de winkelstraat. Bij de parkeerplaatsingang zit nog steeds de Roemeen die daar twee jaar geleden ook al zat. Maar toen had hij nog een trekharmonica, nu speelt hij op een keyboard van het merk Roland! Dat zie je zelfs in de stad Groningen niet. Hij maakt gretig gebruik van de ritmeboxfunctie. Ik herken een beroemd Duits zeemanswijsje, de titel schiet me niet te binnen.
“Leuk!”, zeg ik tegen hem en ik steek m’n duim op.
De Roemeen knikt lachend terug.

Er zijn een heleboel kappers in Uithuizen. Dat weet ik nog van toen ik er nog woonde.
De eerste kapper is dicht.
De tweede is open maar heeft pauze.
“Ik dacht, de deur is los”, probeer ik nog.
“Dat is ook zo”, zegt een meisje met een kop thee in haar handen. “Maar ik heb pauze.”
“Dan houdt het op.”
De derde is dicht.
De vierde is los, heeft geen pauze, maar daar zijn de twee kapsters druk bezig. Ik heb geen tijd om te wachten, ik moet naar De Rank voor de voorleeswedstrijd.

De Biebman ontvangt mij hartelijk in De Rank, het clubgebouw van de kerk tegenover de kerk, maar ook te huur voor wereldse aangelegenheden. Niet lang meer trouwens, want door de Samen op Weg-hype is De Rank overbodig geworden en gaat ie dicht.
De Biebman heeft z’n witte bloes weer aan. Ook de Biebvrouw die mij bij mijn optreden in de bieb van Warffum samen de Biebman met het VPRO-haar interviewde, is er.
De Biebman vraagt of ik m’n boek bij me heb.
Toevallig wel ja.
Of ik als eerste een stukje wil voorlezen.
“Oh jee, uuh, ja natuurlijk wel, leuk. Maar dan moet ik wel even wat geschikts uitzoeken.”
Ik ga apart zitten en blader in Heen en weer. Shit, toch niet echt een boek voor basisschoolscholieren. Er wordt hevig in gevloekt en gescholden, het gaat over seks en drank en andere zaken die je niet snel aan kinderen blootstelt. Pfff. Maar ik wil deze plotselinge voorleeskans niet voorbij laten gaan. Er moet toch wel een kindvriendelijk stukje te vinden zijn?

Mijn collega-juryleden komen binnen: Yvonne de Wandeler van de Educatieve Dienst van Biblionet Groningen en wethouder Alie Boekhoudt van de gemeente Eemsmond. Yvonne is een dorpsgenoot van mij, komen we achter! Ook toevallig. Voor Alie is het jureren hoogstwaarschijnlijk één van de laatste optredens als wethouder. Ze zegt dat de kans groot is dat ze niet als wethouder terugkeert. Ervaren in het jureren is ze zeer zeker. Een logische juryvoorzitter dus.

Ik ga weer apart zitten en blader weer door mijn boek.
Ik kies voor 24 januari heen over een propvolle trein omdat de trein ervoor niet reed. Op deze reis wordt twee keer gevloekt. Dat stukje sla ik wel over. Ongeveer halverwege de heenreis schrijf ik ‘zaal inkijken’ op.

De Biebvrouw opent de voorleeswedstrijd. De zaal zit mooi vol met de voorleesjongetjes en –meisjes, broertjes, zusjes, vaders, moeder en leerkrachten. Ik mag als eerste in de grote corduroystoel plaatsnemen.

Ik krijg een microfoontje aan m’n jasje gehangen. Ik vertel wat over mijn boek (“Jullie hebben vast ook wel eens met de trein naar Groningen gereisd”) en begin voor te lezen.
Ja hoor, het eerste gehakkel.
“Kijk, hakkelen mag best straks”, maak ik er een grapje van. “Helemaal niet erg als jullie dat straks ook doen.”

“Als het maar één treinstel is, ga ik naar huis”, lees ik voor. En ik kijk de zaal in voor de eerste keer. “De zaal inkijken, staat hier”, zeg ik. “Moeten jullie straks ook doen, daar letten we op. Ik heb het erbij geschreven, een tip!”

“De trein trekt langzaam op”, lees ik voor. “En stopt sissend. Een vouwfiets valt om.”
Nu zou ik ‘Kutzooi!’ en ‘Godverdomme’ moeten zeggen, want zo staat het in Heen en weer. Ik zeg: “Nou zou ik twee keer moeten vloeken. Maar dat doe ik niet, want dit is toch een gebouw van de kerk?”

“Een prachtig winterochtendconcert van neusophalen en gesnuif”, lees ik voor.
“Dat was het. Zo moet het dus niet”, besluit ik. “Jullie doen het zeker tien keer zo goed als ik!”

En dat doen ze! De meeste zijn erg goed. We moeten als jury per kind op tien punten letten. Zoals ‘Werd de klemtoon steeds op de goede plaats gelegd?’, ‘Las de finalist echt voor of werd er voorgedragen?’ en ‘Keek de kandidaat het publiek zo nu en dan eens aan?’. Ze lazen Guus Kuijer, Toon Tellegen, Geronimo Stilton, Mieke van Hooft maar vooral Francine Oomen.

In de pauzes zijn wij juryleden nog goed kritisch over de kandidaten. Maar omdat ze dat de afgelopen keren ook zo had gedaan, wil juryvoorzitter Alie Boekhoudt straks graag alleen maar positieve kwalificaties noemen. Ik bepleit nog het noemen van ook wat minder goede puntjes (‘Dan laten we zien dat we ons werk als jury serieus nemen’ en ‘Die kindjes zijn toch oud genoeg om tegen een beetje kritiek te kunnen?’). Maar de rest van de jury denkt daar anders over. Ik schik mij daar gemakkelijk in.
“Ik kan ook zo de politiek in”, merk ik op. “Ik kan goed compromissen sluiten.”

Goed beschouwd sluit ik niet eens een compromis, ik krijg gewoon geen poot aan tafel.

We zijn het eens: Hester van de Jansenius de Vriesschool in Warffum, wint. Een meisje met lang haar en een rode bril. Ze las voor uit Misschien wisten zij alles, een enorme rode pil van Toon Tellegen. Over haar staat in mijn aantekeningen: “Heel goed, onverstoorbaar doorlezen” (terwijl er een mobiele telefoon keihard afging), “Foutje, leuke reactie”(Bij een verspreking lachte ze even terwijl ze rustig verder las), “Alles lijkt erop dat ze het heel leuk vindt om voor te lezen” en “Kijkt wel heel erg vaak zaal in, hoeft niet”.

Juryvoorzitter Alie Boekhoudt noemt Hesters naam. Hester kijkt alsof ze het niet gelooft. Maar ze is toch echt de winnaar!
“Heb je dat dikke boek helemaal gelezen?”, vraagt Alie.
“Ja”, antwoordt Hester.
”Vond je het leuk?”, vraagt Alie.
“Ja.”

Leuke middag in Uithuizen! De beheerster, die hoopt dat iemand in De Rank een uitvaartcentrum begint zodat zij daar kan blijven werken, zegt dat ze mijn boek gaat kopen. En ook de wethouder zegt dat ze dat al lang van plan was en nu eindelijk ook echt gaat doen.
Mag allemaal.
“Hij ligt nog gewoon bij Venema”, moedig ik aan. Da’s de plaatselijke, wat zeg ik, de regionale boekhandel. Veel anders heb je niet aan boekwinkels in de wijde omtrek van Uithuizen.

Met een royale bos bloemen van Krijgsheld loop ik naar buiten.
“Shit!”, bedenk ik mij. “Nog steeds niet naar de kapper geweest.”

Read Full Post »

En dan sta ik zomaar weer in de krant waarin ik achttien jaar geleden ‘debuteerde’. Of hoe noem je dat: als je als studentje journalistiek voor het eerst een artikel in een dagblad krijgt. Het ging toen over de Groninger streektaalfunctionaris Siemon Reker die een boekje had gemaakt. De kop boven het artikel heb ik al die jaren onthouden: ‘Tweetaligheid verrijkt de geest’.

Ik sta sinds 17 maart 1992 weer in Trouw. Nu niet met artikel ván mij maar met een artikel óver mij. In het boekenkatern op zaterdag 13 februari. Boekredacteur Co Welgraven belde mij begin van de week mobiel op m’n werk. Hij had mijn boek gezien en wilde mij voor zijn rubiek ‘Vandaar dit boek’ interviewen. Hij zei dat hij ‘het lijntje’ wel kende. ‘Het lijntje’: Groningen-Roodeschool. Hij was onlangs nog in Usquert geweest.

Ik zei dat ik wel in zijn rubriek wilde staan.
“Woensdag tien uur?”
Woensdag tien uur vond ik helemaal goed.
Snel wat oude zaterdagkranten van Trouw opgesnord. ‘Vandaar dit boek’, achterkant katern Letter & Geest, tabloid formaat, eenderde pagina, ik-vorm. Allemaal heel gunstig.

Woensdag werkte ik thuis en werd ik precies om tien uur door Co Welgraven gebeld. Of hij het interview mocht opnemen?
Tuurlijk. Als hij dat handig vindt.
“Hoop werk”, zei ik nog. Ik doe het zelf ook wel eens bij de gemeentebobo’s. Bij de burgemeester, de gemeentesecretaris of gemeentelijke programmamanagers van dienstoverstijgende programma’s ter verbetering van het een of ander, dienstverlening meestal. Maar nu werd ikzelf opgenomen.

Een half uur later hingen we op.
’s Avonds laat kwam het stukje binnen op de mail. Ik mocht er nog even naar kijken. Alleen ‘feitelijke onjuistheden’. Jaja, ik weet hoe het gaat.

‘Helemaal goed’, mailde ik terug. Ik gaf hem nog een suggestiezin cadeau die hij nog ergens tussen zou kunnen frommelen. Deze mooie zin had ik na het interview bedacht en gewenst gezegd te hebben: “Het is een kroniek van kleinmenselijke gebeurtenissen van het dagelijkse treinleven: een ongemakkelijk gesprek op het balkon, gehannes met een onwillige vouwfiets, op de hak van je medereiziger trappen bij het uitstappen.”

Heeft hij niks meegedaan. En terecht. Hij zal wel gedacht hebben: Dat heeft hij niet gezegd, dus dat komt er mooi niet in. Als er nog iemand met mij over Heen en weer wil praten, zal ik nog eens over dat kleinmenselijke beginnen.

Interview zien? Klik op dit ploatie:

Snel nog even het vloekgehalte van Heen en weer onderzocht. Want ja, toch een christelijke krant met christelijke lezers. Ik herinner me de boekverkoper van een christelijke boekwinkel in de stad toen hij een stapeltje met mijn boeken in ontvangst nam. “Er wordt toch niet in gevloekt?”, was de vraag.
“Niet door de auteur”, had mijn uitgever Lourens geantwoord.

Dat blijkt te kloppen. Wel gebruik ik Zijn naam eenmaal ijdel bij een verzuchting over de Loopjongen die een gorillaknuffel aan z’n rugzak heeft: “God, nu ook al jongens met knuffeltjes. Wat betekent dat nu weer?” (14 augustus).
Verder wordt er door medereizigers dertien keer gevloekt, in verschillende varianten. Voor een boek van 272 pagina’s pieieiepweinig.

Je zou ook bijna vloeken bij de treinramp in België. Zoveel doden en gewonden. Een machinist zou een rood sein hebben genegeerd. Het zal je maar overkomen.
Voor de reizigers in de Spurt wellicht een geruststellende gedachte: de machinisten hier zijn goed getraind in het maken van noodstops. Dat deden ze al in de tijd van mijn treindagboek en ze oefenen er nog regelmatig mee.


Read Full Post »

Een beetje duf in de trein zitten is er tegenwoordig nauwelijks meer bij. Ik moet van allerlei functionarissen van alles doen. Mijn kaartje laten zien bijvoorbeeld. Dat is nog tot daar aan toe, dat verwacht ik ook. Tenminste als er een conducteur naast mij staat.

Maar ik moet ook zo vaak mijn kaartje laten zien aan reizigersonderzoekers. Dat zijn meestal wat oudere vrouwen in felrode onderzoeksjassen. In Heen en weer op het Hogeland kun je geen tien bladzijden lezen of daar heb je er weer één. En als het niet om mijn kaartje gaat, is er wel weer een enquêteur die mijn mening wil weten. Wat vind ik van de klantvriendelijkheid van het personeel? De stiptheid van de trein? De rijstijl van de bestuurder? Voel ik mij zeer onveilig tot zeer veilig, weet niet, of n.v.t. tijdens de rit?
Je verwacht dan dat zo’n onderzoek in een la verdwijnt.

Maar dat is niet gebeurd met een onderzoek van de gemeente Eemsmond! Deze gemeente, trotse bezitter van maar liefst vijf stations (ik durf te wedden dat er nergens anders zoveel stations per inwoner zijn), heeft een onderzoek onder de treinreizigers op het traject Roodeschool-Groningen gehouden. Directe aanleiding: een steekpartij op het Uithuizer station waarbij een jongen gewond raakte. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de reizigers zich veilig voelen in de trein en op de stations, maar dat ze zich ergeren aan vervuiling en vernielingen. Ook irritant: te kleine fietsenstallingen, weinig parkeerplekken, onvoldoende schuilmogelijkheden en kapotte kaartautomaten.

Kapotte kaartautomaten? Daar kan elke kaartjeskopende Hogelandster forens over meepraten. In Heen en weer is het al raak op de eerste dag, pagina 6:
“Klinggg! Met een metalig geluid floept onder de tekst ‘Kaartje hoeft niet gepast’ een rood bordje tevoorschijn: ‘Apparaat buiten werking’.”

Dus wat gebeurt er? Er komt een heus convenant!
Een convenant. Nog niet zo lang geleden wist niemand wat dat was. Toen maakten partijen nog gewoon afspraken of sloten ze een samenwerkingsovereenkomst. Tegenwoordig zijn daar convenanten voor. Die worden ondertekend, altijd net als er een fotograaf van de plaatselijke krant in de buurt is. Dit treinconvenant is ondertekend door Arriva, de provincie, spoorwegpolitie, de gemeente Eemsmond en ook nog de NS.

Een convenant, het klinkt nog steeds een stuk minder mouwenopstroperig dan een ouderwetse afspraak of samenwerkingsovereenkomst. Convenant, klinkt als intentieverklaring. Je zegt je best te doen, maar als je even geen tijd hebt, ook goed. Alsof je er zo weer onderuit kunt. Zeker als een ondertekenaar (burgemeester Marijke van Beek van Eemsmond) zegt: “Bijzonder aan het convenant is onder meer dat naast het pakket van maatregelen de verantwoordelijkheden zijn vastgelegd waaraan elke deelnemende partij zijn bijdrage kan ontlenen.” Dat is nog eens klip en klare Jip en Janneke-taal!

Maar goed: er is iets ondertekend en dat moet leiden tot meer veiligheid op de vijf stations in de gemeente Eemsmond. De huidige situatie op de stations is ‘geschouwd’, overdag en ’s nachts. De conclusies (volgens de Ommelander Courant):

Station Warffum
-te weinig fietsenstallingen
-geen officiële parkeerplaatsen voor auto’s
-slechte reisinformatie

Station Usquert
-beter onderhoud groen nodig om gevaarlijke situaties te voorkomen

Station Uithuizen
-wachtruimte is erg vies
Oh ja, het tamponhok van Uithuizen. In Heen en weer op 8 november: “Ik ijsbeer langs de wachtkamer, een ongezellig hok met twee bankjes. Er zit niemand in. Een tampon met een blauw touwtje ligt in een plas water op de brede vensterbank. Het watje staat bol van het vocht.”
(‘wachtkamer’, het staat er echt! Stom woord! Moet zijn: wachtruimte.  Of wachthok. Wachtkamer, dat is iets voor een huisarts- of tandartspraktijk. Je tikt het in en je leest er vervolgens achttien keer overheen. En alle meelezers ook. Tip voor boekenschrijvers, zeker debutanten: lees nooit je eigen boek als die al is uitgegeven! Je komt dingen tégen…)
-slecht onderhoud groen
-de vele trapjes naar het station zijn ‘een nadeel van de toegankelijkheid’

Station Uithuizermeeden
-slechte toegankelijkheid tweede perron
-te kleine fietsenstalling
-verroeste fietsenstalling

Station Roodeschool
-vernielingen door afgelegen plek
-donker voorplein
-geen parkeergelegenheid

En nu, deelnemende partijen, als de bliksem dat pakket aan maatregelen uitvoeren! Of anders wel de verantwoordelijkheden nog eens napluizen waaraan jullie je verantwoordelijk kunnen ontlenen! Hup hup! En rap een beetje!

Maaruh, hoe zit het eigenlijk met de stations Baflo, Winsum, Sauwerd, Groningen-Noord en het hoofdstation in Stad? Die liggen ook aan de lijn Roodeschool-Groningen. Daar gaat Marijke van Beek van Eemsmond weliswaar niet over, maar is daar alles al op orde? En is er alleen van alles mis met de stations in de gemeente Eemsmond? Lijkt me niet. Hallo?

Oké. En nu, als toetje voor de Heen en weer-liefhebber: een geschrapte passage uit het boek. Over ook zo’n treinonderzoek! Geschrapt omdat schrijven schrappen is. Omdat een boek ook te dik kan zijn. Omdat een boek door de brievenbus moet passen. Vindt mijn uitgever tenminste.

Tijd: ergens in november. En dan praten we over 2007, mind you! Het is een terugreis. Vertraging: 6 minuten. Controle: nee.

Groningen
Donker is het in de trein. In mijn coupé zijn de meeste lampen uit.
Vlak voordat we vertrekken, gaan alle lichten aan.

Ik kijk om en zie een jongen in een oranje hesje papieren uitdelen. Ik hoor hem zeggen: “Wilt u ook meedoen aan een enquête over de kwaliteit van deze lijn?”
Jáááá! Ik wrijf mij in de handen.
“Heel graag. Moet ik hem opsturen?”
“Ik kom hem weer ophalen.”
“Het gaat over de kwaliteit van deze lijn zeg maar. Jullie ook?”
“Geef maar.”
“In het algemeen of deze trein?”
“In het algemeen op deze trein.”
“Bent u op tijd vertrokken?”
“Geen idee.”
“Daar begint kwaliteit mee hè.”
De mensen zijn gretig.
“Hier heb ik nog een potloodje.”
“Ik heb al een keer meegedaan.”
“Nog een keer kan geen kwaad, toch?”

De jongen in het hesje loopt mij voorbij. Dat zou toch niet! Ik wil ook! Hij gaat naar z’n collega verderop.
“Mijn potloden zijn op. Heb jij nog?”
Met nieuwe potloden komt hij weer langs.
Ik steek m’n hand uit.
“Alstublieft.”
Ik krijg een vers potloodje.
De jongen haalt een enquêteformulier uit een Nivea-tas.

Winsum
“Hallo hallo hallo!”
Een mevrouw met een bruine hoed staat op een zwaait met haar enquêteformulier naar de jongen in het hesje.

Als ik m’n formulier teruggeef, zie ik pas dat het op de achterkant verder gaat.
“Hé, het gaat op de achterkant verder!”
“Ja, maar dat geeft niet joh.”
“Geef maar terug, ik wil alles invullen als je het niet erg vindt.”
De jongen met de Nivea-tas en z’n collega staan op het balkonnetje.
“Ik heb nu zestig, hoeveel heb jij?”
“Honderd.”
“Ook de achterkant ingevuld? Mooi, niet iedereen ziet dat.”

Een vrouw met twee volle tassen loopt ver voor Warffum naar het balkonnetje waar de jongen met de Nivea-tas staat. Ze praten wat voordat ze in Warffum uitstapt.

Usquert
We wachten op de tegentrein uit Roodeschool. De enquêteur met de Nivea-tas staat vlak bij mij het gangpad af te speuren naar reizigers die hun formulier willen inleveren. We hebben oogcontact. Ik besluit een praatje te maken.
“Ze willen wel meewerken niet, de mensen.”
“Ja, ze willen allemaal meedoen.”
De jongen vertelt dat hij ook enquêtes op de Arrivalijnen naar Delfzijl en Nieuweschans uitdeelt, maar dat er over de trein naar Roodeschool veel meer wordt geklaagd.
“Ik hoor vooral geklaag over de drukte en het missen van de aansluiting. Dan zijn ze te laat in Groningen om de trein naar Zwolle te halen. Ik heb zelf in Baflo gewoond, ik woon nu in Groningen hoor, maar ik heb heel lang de trein van tien over acht genomen. Altijd vol en altijd vertraging.”
Hij zegt dat hij net met een vrouw had gepraat…
“Die met die tassen die er in Warffum uitging?”
“Ja die ja.”
…die wist te vertellen dat veel mensen uit Warffum niet de trein in Warffum pakken maar met de auto naar Winsum gaan om daar de trein uit Delfzijl naar Groningen te nemen. Dan hebben ze meer kans de aansluiting in Groningen nog te halen.
Ik begin over de extra spitsbussen die Arriva vanaf Winsum naar Groningen inzet. Je maakt een praatje of je maakt hem niet.
”Ja, lijn 65, maar die rijdt alleen maar naar de Grote Markt.”
“Die moet toch naar het station rijden?”
“Dat doet ie dus niet. Ik heb er zelf ingezeten. Ik dacht: moet ik er nu al uit? En toen reed ie leeg naar het station. Echt waar.”
De jongen vertelt dat reizigers tegen hem, de enquêteur, beginnen te klagen.
“Ik mag de formulieren niet inkijken, maar de mensen vertellen mij wel eens wat. Een jongen in Nieuweschans klaagde dat hij z’n tentamens had gemist. En weet je wat ze bij Arriva tegen hem zeiden? ‘Dan moet je een trein eerder nemen.’ Maar dat had ie al gedaan! ‘Daar kunnen wij niks aan doen’, kreeg hij toen te horen. ‘Wij kunnen niks garanderen.’ Dan word je toch afgescheept? Da’s toch lullig?”

Read Full Post »

Zes boeken heeft hij in zijn rugzak, Lourens, mijn uitgever. Zes exemplaren van Heen en weer op het Hogeland. We zitten met z’n drieën in Azurro, de pizzeria van Roberto – z’n dochter komt ergens in een flits ook nog in mijn boek langs. Lourens, mijn andere uitgever Maarten en ik. Nog een half uur en ik mag weer wat voorlezen en vertellen, nu in de bibliotheek van Uithuizen.

Het is vrijdagavond 15 januari, een maand na mijn legendarische optreden in de bieb van Warffum. Toen had Lourens ook zes boeken in z’n rugzak. Om te verkopen tijdens de signeersessie. Met al die zes boeken in z’n rugzak stond hij na afloop weer op het station te wachten op de trein naar de stad. Maarten had er ook in Warffum al bij willen zijn. Hij kon niet wachten totdat Uithuizen aan de beurt was.

De Biebman verwelkomt ons gastvrij en rent gelijk naar achteren om stenen kopjes voor de koffie te halen. Hij heeft z’n witte overhemd aan. Die staat hem echt goed.
“Waar is Dick?”, vraag ik.
“Die snuffelt nog wat naar boeken”, zegt de Biebman. Hij geeft mij een blauw kopje met koffie die hij zelf met de klantenSenseo (‘En wanneer u het Senseo-apparaat niet kent, vraag het de medewerkers’) heeft gezet.
Een kale man met een opvallende zwarte bril komt met uitgestoken hand op mij af. Dat moet hem zijn: Dick Stoppels, toneelspeler en actief in het dorp. Hij gaat mij interviewen over mijn boek. Ik ken hem niet, we hebben één keer met elkaar gebeld. De Biebman heeft hem uitgekozen als interviewer. Dick heeft nog auditie gedaan voor Boven Wotter, de populaire Groningstalige soap op TV Noord. Ik las dat op zijn weblog. Dick is het toen niet geworden.

Ik schud de handen van de biebvrouwen achter de balie. Drie zijn het er.

Een vrouw met een blonde boblijn gaat als eerste op een stoel zitten. De Biebman vertelt dat ook al een echtpaar de jas heeft uitgedaan en ergens langs de kasten loopt.
“Die zullen ook wel komen als het begint.”

Het is niet druk in de bieb.
“Het is niet druk”, merk ik op.
“Klopt”, beaamt de Biebman.
“Vroeger in Delfzijl”, ga ik verder, ”was vrijdagavond de biebavond. Druk! Ik was daar ook altijd.”
“Was hier ook zo”, vertelt de Biebman. “Het heeft zich verplaatst naar de zaterdag.”

Fred en Angelica komen binnen. Ik sta paf. Fred en Angelica uit Delfzijl. Angelica, de zus van een vriend van mij, en Fred, de zwager van die vriend. Fred en Angelica zijn altijd al bij elkaar geweest. Angelica heeft voor mij de eed van Ronald Reagan vertaald in het Nederlands toen hij in 1985 voor de tweede keer president van Amerika werd. Ik was in die tijd erg voor Reagan. Toen hoorden Fred en Angelica al bij elkaar. Ze hadden in de Eemsbode gelezen dat ik in Uithuizen zou optreden.
“We gaan ook vaak naar jouw broer toe als die in Delfzijl optreedt. Dus nu gaan we ook naar jou.”
Mijn boek hadden ze al, nu willen ze ook dat ik hem signeer.
Ik ben heel erg blij om ze te zien en kus en knuffel Angelica. Dat vindt ze helemaal niet erg. Angelica heeft hartjes als oorbellen. En ook aan het kettinkje aan haar hals hangt een hartje. De schat.

De eerste vieze boekjes die ik las, kwamen van Fred. Fred gaf ze aan mijn vriendje. We bekeken ze op zijn kamer onder het visnet aan het plafond. Er zaten ook Duitse blaadjes bij met heel veel kleine plaatjes. Vrouwen hadden soms een plasser. Ik begreep er niks van.

Negen mensen zitten voor mij en Dick Stoppels. Twee van hen horen bij mij, de rest is speciaal voor mij gekomen. En dan heb ik de Biebman en z’n drie vrijwilligsters niet meegerekend. Toch wel even wat anders dan Warffum, pep ik mij op. De zes toeschouwers die er toen waren, waren vrijwilligsters die zich verplicht voelden te komen. En biebbezoekers die deels uit beleefdheid bleven plakken.

Lourens heeft de zes boeken uit z’n rugzak gehaald en sierlijk op het tafeltje naast mij neergelegd. Ik vraag of er mensen zijn die het boek nog niet hebben gelezen. Die zijn er, ongeveer de helft. Zeven gedeeld door twee. Hmmm, die zes boeken gaat niet lukken, misschien de helft.
“Mooi”, zeg ik.
Ik lees de terugreizen van 13 november (over de groezelige mondharmonicaspeler) en 9 juni voor (‘Uithuizen, da’s drank en drugs, echt waar’). Als ik de Harmonicaman introduceer, hoor ik herkenningsgemompel. Ze kennen hem, de grijsaard met z’n mondharmonica die z’n onduidelijke melodietjes voor de Aldi of de Jumbo speelt. Tegenwoordig staat ie ook wel eens op de Blink.

Tijd voor Dick. Dick doet het leuk. Hij vertelt dat hij het boek gedeeltelijk heeft gelezen. Hij had er eerst wat moeite mee, maar Heen en weer ging hem uiteindelijk toch wel boeien. Dick stelt goede vragen.
“Is het niet saai, een jaar lang elke dag met een schriftje op schoot in de trein te zitten?”
Zo’n vraag had ik verwacht. Het antwoord heb ik klaar.
“Dan heb ik zeker een saai boek geschreven zeker? Dat heb ik nog niet gehoord, kijk maar eens op mijn site.”
En ik begin mijn van tevoren bedachte metafoor in te leiden.
“Als je niet van mensen houdt, is dit een saai boek ja. Maar als je wel van mensen houdt, is dit een boek voor jou. Veel mensen zeggen dat ze zo van terrasjes pikken houden, omdat ze dan zo leuk mensen kunnen kijken. Nou”, begin ik mijn uitsmijter, “mijn boek is het terras van het Hogeland. En je hoeft niet eens de straat op!”

Het is leuk. Mijn zeven bezoekers zijn geïnteresseerd, wat wil ik nog meer?

De Biebman begint over Guus Hiddink, de man met de rode jas die een paar keer in mijn boek voorkomt.
“Guus Hiddink heeft geen snor meer”, bemoeit Maarten zich ermee. “Al heel lang niet meer.”
“Dat wist ik niet”, verdedig ik mij. “Dat dacht ik toen wel. Ik heb getwijfeld om hem bromsnor te noemen.”
Er schiet me iets te binnen.
“Ik had hem eigenlijk de Sergeant moeten noemen. Kennen jullie stratego? Daar zit ook een sergeant bij. Die heeft zo’n hele mooie Guus Hiddink-snor. Zo’n snor heeft Guus Hiddink ook. De Sergeant was misschien een betere naam geweest.”

Afgelopen. Tijd voor koffie. De Biebman heeft thermosflessen koffie klaar en een chocoladecake. Niemand gaat weg. Mijn ‘fans’ blijven hangen en nemen koffie en cake.
Ik krijg een boek onder m’n neus geduwd. Die van Fred en Angelica.
Ik haal diep adem en schrijf iets op.
“Voor de favoriete zus van mijn vriendje.” Of zoiets. Iets meer. Ik overhandig Angelica haar boek en we knuffelen elkaar.
Ze bekijkt wat ik heb geschreven. Ze vindt het leuk.
“Nu nog even datum erbij”, beveelt ze.
“Vijftien januari!”, roep ik uit. “Is ook zo!” Haar broer, mijn vriend, is vandaag jarig.
Kussend en knuffelend feliciteer ik haar.

De moeder en de dochter hebben mijn boek gelezen maar niet meegenomen. Ik schrijf hun adres op en beloof als ik weer eens in Uithuizen ben langs te komen om ter plaatse hun boek te signaleren. Dat vinden dochter en vooral moeder een hartstikke leuk idee.

Het is gezellig in de bieb van Uithuizen.

De boblijnvrouw koopt een boek. Ze heeft erg getwijfeld of ze vanavond thuis iets zou koken of naar mijn optreden zou gaan. Ze heeft besloten allebei te doen, zegt ze.

Ik vraag hoe ze heet. Ze heeft dezelfde naam als mijn dochter die tijdens het schrijven van mijn treindagboek is geboren.

Ik schrijf in haar boek dat ze de mooiste vrouwennaam heeft die de mensheid heeft voortgebracht.
Ik leer het al.
“Als je goed oplet”, zeg ik, “ontdek je in het boek wanneer mijn dochter wordt geboren.”

Dan Dick, mijn interviewer. Ik bedank hem. En nog eens in het boek dat ik mag signeren. Hij deed het leuk. Ik schrijf dat als ik hem in de trein was tegengekomen, ik hem ‘de Bril’ had genoemd.

Het echtpaar komt op mij af. Het zijn Friezen. Ze zijn al lang geleden naar Uithuizen verhuisd omdat hij in de Eemshaven ging werken. Maar nu reist hij elke dag op en neer naar Leeuwarden.
“Ook in 2007 en 2008?”, vraag ik. De periode van mijn treindagboek.
“Ja.”
“Heeft u mij boek al gelezen?”
“Nee, maar dat ga ik zeker doen.”
Hij vertelt dat hij voor Arriva mysteryguest is geweest. Mocht hij alles opschrijven wat hij van de trein, het reizen, de conducteurs (‘Arriva noemt ze stewards, maar voor mij blijven het conducteurs’) en Arriva vond.
“U had mijn boek kunnen schrijven!”, zeg ik.

Het is al ver na acht uur, de officiële sluitingstijd van de bibliotheek, als mijn ‘fans’ weggaan. Fred en Angelica het laatst. Angelica en ik kussen en huggen elkaar ten afscheid. Fred geef ik een hand. Fred en Angelica, helemaal uit Delfzijl gekomen, ik kan het nog steeds niet geloven.
De Biebman zwaait ons uit. Drie boeken minder in de rugzak. En zeker zes handtekeningen gezet, ik ben de tel kwijtgeraakt. En ik heb er nog één tegoed!
“Je hebt de opgaande lijn te pakken”, zegt Maarten.
“Mijn hoogtepunt”, reageer ik. “Ik stop er gelijk mee.”

Uithuizen was voorlopig mijn laatste optreden.

Read Full Post »

De Biebman

Ik zit in de bieb van Uithuizen. En ik kijk naar de Biebman, de ‘grote grijsblonde krullenman’ van 9 januari uit mijn boek. Hij zet een stenen kopje met koffie op de grote leestafel. Dat kopje heeft de Biebman voor mij speciaal van achteren gehaald. Ik zei nog dat dat niet hoefde, dat een plastic bekertje ook wel goed was. Maar nee, de Biebman wilde per se dat ik zijn biebkoffie uit een stenen kopje zou krijgen.

De koffie van de bibliotheek van Uithuizen komt uit een Senseo-apparaat dat op een laag tafeltje iets rechts naast de ingang staat. Bezoekers kunnen daar zelf hun biebkoffie zetten. Er staan witte plastic koffiebekers naast het apparaat. Maar als de Biebman je in zijn ‘vrouwenbieb’ uitnodigt, scharrelt hij een stenen kopje voor je op. En de biebkoffie zet hij zelf.

Tot mijn teleurstelling draagt de Biebman géén wit overhemd. Deze constatering ontzenuwt alwéér een van mijn stellingen uit Heen en weer op het Hogeland. Over de Biebman beweer ik op 9 januari: ‘Hij werkt in de plaatselijk bibliotheek en heeft dan een wit overhemd aan.’ Dezelfde Biebman tegenover mij heeft een hip heftig gekleurd T-shirt aan.
“Waar is je witte overhemd?”, vraag ik.
De Biebman lacht.
“Mijn collega’s zeiden ook al steeds dat ik altijd van die witte overhemden droeg. Toen heb ik maar een modern setje T-shirts gekocht. Kan ook best, want ook ’s winters is het hier tropisch.”
“Jammer”, zeg ik.

Ik ben in de Uithuizer bieb om wat dingen te bespreken voor mijn opwachting in de plaatselijke bibliotheek van Uithuizen op vrijdag 15 januari.

De Biebman begint over Heen en weer op het Hogeland. Dat heeft hij gelezen. Hij weet dat hij er in staat. Een klant die boeken terugbracht, begon erover. De Biebman zegt dat hij uit de media toen al van het bestaan van mijn treindagboek wist. En dat het boek bij de Noord-Groningse bibliotheken prompt als koploper is bestempeld. De Biebman begint een heel verhaal over wat dat is, koploper. Ik let goed op, maar raak de draad kwijt. Voor mijn boek is het in ieder geval goed nieuws, begrijp ik. Ik krijg mee dat koplopers op de achterkant van de voorkant geen samenvatting van enkele zinnen meekrijgen. Want koplopers zijn de biebbureaucratie nog niet door geweest. Want daar zijn het koplopers voor! Die staan nog fris en fruitig op de eerste lezers te wachten. Gelukkig staat op de achterkant van het boek al waar het over gaat.

Wat mij betreft maakt de Biebman de biebsamenvatting, mocht die er ooit nog komen. Want hij zegt dat hij het een heerlijk boek vond. In de periode dat ik met mijn treindagboekschriftjes op schoot naar Stad en terug reisde, ging de Biebman ook vaak naar Groningen. En hij herkent veel uit het boek.
“En zeker de grote ergernissen.”

“De Viking”, zeg de Biebman. “Is dat die….”
En hij geeft een perfecte beschrijving van mijn eerste hoofdpersoon die zich op deze website bekend maakte.
“Hij woont ook alweer in uuuh…”
“Oosternieland”, zeg ik.
Dat zei de Viking zelf tegen mij.
“Ja!”, beaamt de Biebman. “Als jochie kwam hij hier al met pa en ma in de bibliotheek.”

Ik heb zin in nog een biebkoffie.
“Ik lust eigenlijk nog wel één”, probeer ik voorzichtig.
“Tuurlijk”, zegt de Biebman. En hij pakt mijn kopje voor een tweede ronde.

“En wat ik zelf frappant vind”, begint de Biebman, zelf dus een ervaren treinreiziger tussen Uithuizen en Groningen, “dat mensen zoveel moeite doen om alleen te zitten. Ze lopen de hele coupé door. Ga toch ergens zitten!”
“Over dat soort dingetjes”, zeg ik, “gaat mijn boek dus.”

“Het leeft wel, dat boek van jou.”
De Biebman vertelt hoe hij laatst weer eens op de trein stond te wachten op het perron van Uithuizen. Twee meisjes op het bankje naast hem begonnen opeens over Heen en weer op het Hogeland te praten.
“Uit zichzelf”, benadrukt hij.
Prachtig verhaal, denk ik, dat ik zeker voor mijn website ga gebruiken.

Ik zeg dat ik het grappig vind dat wij nu aan dezelfde grote tafel zitten als waaraan de Biebman en zijn biebvrouwen zaten toen ik daar in 2008 op 9 januari iets na zessen in de avond langs fietste. Ik kwam toen van mijn werk.
‘Ik fiets langs de bibliotheek in de Schoolstraat’, schreef ik in mijn treindagboek. ‘Die is al lang dicht, maar er brandt nog licht: kaarslicht.’

Het kaarslicht van de nieuwjaarsborrel van de Uithuizer bieb. Tussen al die biebvrouwen ‘de grote Biebman met de krullen’ in z’n witte overhemd.

De Biebman belooft mij dat hij er op vrijdag 15 januari bij is als ik over mijn boek praat in ‘zijn’ Uithuizer bieb. Hij heeft dan een wit overhemd aan, bezweert hij.

Read Full Post »

Jazeker, Uithuizen!

Ik krijg de smaak te pakken, ‘Warffum’ smaakte naar meer. Voor iedereen die er in december in de bieb in Warffum niet bij kon zijn, doe ik het in ‘Uithuizen’ nog even over. En niet dunnetjes! Uithuizen, opstapplaats en reisdoel uit mijn treindagboek, daar moet ik geweest zijn. Met zeker één aanwezige die als personage in het boek voorkomt, beloofd! Het laatste nieuws is dat Uithuizenaar Dick Stoppels, toneelspeler, mij gaat interviewen. Even wat voorlezen, interview en dan kunnen lezers hun boek door mij laten signeren. Hoeft niet, mag wel. Dus:

Read Full Post »

Even geen liefs van Roelf

Zes boeken heeft hij in zijn rugzak, Lourens, mijn uitgever. Zes exemplaren van Heen en weer op het Hogeland. We zitten in de trein naar Roodeschool. Ik ga voor het eerst ergens over mijn boek praten. Schrijvers doen dat wel eens. En ik heb voor het eerst ook een boek geschreven ja. Dat leek mij ook wel wat: beetje de schrijver uithangen. Beetje knipogen, beetje handtekeningen krabbelen in versverkochte exemplaren. “Voor Patricia.” ”Voor Sterre.” “Voor Berendina.” “Voor Black Magic Woman.” “Liefs van Roelf.” Dat soort werk. Het is maandag 14 december en ik ga naar de bieb in Warffum.

Zes boeken had hij in z’n rugzak, Lourens. De optimist! We hebben er geen één verkocht. In één reeds gekocht boek mocht ik nog wel mijn handtekening zetten.

Aantal luisteraars: zes. Van wie twee vrijwilligers van de Warffumer bieb. “We zijn uitgenodigd. Dan voel je je toch verplicht te komen”, vertelt één van de twee mij.

Het belooft niet storm te lopen; het blijft akelig rustig na openingstijd half drie maandagmiddag, de drukste biebdag van de week, is mij verzekerd.

Een bibliotheekmedewerker neemt de vragen voor het interview nog even met mij door. Goede vragen.

“Max Westerman”, zegt ze plotseling. “Ergens beschrijf je een vrouw die De Graanrepubliek leest. Ik ken dat boek, we lenen het vaak uit.”
“Zal wel ja.”
“Maar dat is van Frank Westerman! Niet Max Westerman.”

Shit. Dat weet ik ook wel. Max Westerman is die RTL-correspondent in Amerika. Tenminste, dat was hij. Maar in Heen en weer op het Hogeland staat dat hij van De Graanrepubliek is. Is niet zo.
“Beetje stom”, geef ik toe.

Ik vertel het Lourens die de beamer voor de diapresentatie van de foto’s van de stations in orde maakt.
“Weet ik ook wel. Ik heb het ook niet gezien.”
Ik zeg dat ik zelf ook al twee fouten in het boek heb ontdekt. Ik blader ik mijn boek. Bladzijde 75, ik heb er met pen een cirkel omheen gezet.
“Een correctiefout”, zegt Lourens. “Vroeger dacht ik als ik weer eens een pil las en één tikfout ontdekte: ‘Wat stom, een fout!’ Nu denk ik: ‘Wat knap. Maar één fout!’”

(Er staat nog een gekke fout in het boek. Huiskamerlezersvraag: waar? Nee, niet “Ik ben.” op pagina 8. Da’s een kwestie van even goed lezen.)

Een oude man levert boeken in. Eentje van Scot Fitzgerald. Vond ie prachtig. En eentje van Heleen van Royen: De Ontsnapping. Halverwege weggelegd, vond ie niks aan.
“Te veel seks zeker?”, zeggen ik en twee biebmedewerkers tegelijk.
“Een beetje vind ik niet erg, maar dit is overdreven.”

We wachten nog even op de bel van tien over drie. Wie weet komen er nog wat leerlingen van Het Hogeland College opdagen dat aan de Warffum-bieb vastzit.

Er komen geen leerlingen. Ik moet concurreren met de debatclub op school, vertelt de bibliothecaris met het VPRO-kapsel. Hij komt uit Zeeland. Tien jaar geleden werkte ik daar. In Gapinge heeft hij gewoond.
“Noord-Beveland”, denk ik te weten.
“Nee, Walcheren. Bij Veere.”

De Zeeuwse bibliothecaris en zijn collega zitten apart van de bezoekers. Zij gaan mij straks nog interviewen.

De oude man loopt naar de deur.
“U gaat al weg”, roep ik, gespeeld verontwaardigd.  “En hier moet het nog beginnen!”
De man zet z’n tas neer, doet z’n jas uit en gaat zitten. Hij is een bekende dorpeling, hoor ik. Voormalig meester van de lagere school hier vlakbij.

Gemiddelde leeftijd van mijn zes bewonderaars: rond de zestig. Nadat ik wat heb voorgelezen, gaat er een vrouw weg, de jongste van het gezelschap. Ze kwam daar trouwens wel om Heen en weer op het Hogeland terug te brengen. Die had ze net uit. Ze vond het een mooi en herkenbaar boek.

Tijdens nog een stukje voorlezen komt er een frisogende man in een roze trui bij zitten die de gemiddelde leeftijd opeens fors omlaag haalt. Ik zit weer op zes bezoekers. Er komen vragen, de meeste van de twee oude mannen op de voorste rij. Vragen en vooral overpeinzingen over vroeger. Niet dat alles toen beter was. Maar de mentaliteit wel! Ook nog in de oorlog. Want als de trein toen te laat was, klaagden de mensen niet zoals nu.
“En ik altijd maar denken dat de treinen in de oorlog juist zo op tijd liepen.”
Ja, ik flap het er ook zo maar uit.De man heeft een voorbeeld van hoe het vroeger niet ging. Zoals die Theo Maassen Patricia Paay behandelde, dat zouden ze vroeger niet zo doen.

De Zeeuwse bibliothecaris en zijn collega stellen mij vragen. Goede vragen, ze zijn echt geïnteresseerd. En ik antwoord.

Dan is het voorbij. De voormalige schoolmeester steekt z’n hand naar mij op en loopt weg. De jongeman in het roze komt op mij af. Uit een papieren zakje haalt hij mijn boek. Of ik er iets in wil zetten voor z’n vader. Die reed ook altijd naar de stad heen en weer. De man is gymleraar en zegt dat hij het leuk vond, mijn optreden. De vader van deze gymleraar krijgt mijn enige handtekening. Geen liefs van Roelf vandaag.

De biebman met het VPRO-haar heeft opbeurende woorden. Heel lang geleden was hij bij één van de eerste optredens van Theo Maassen. De cabaretier werd genadeloos uitgefloten. Theo werd er zo flauw van dat hij wegliep. In de kleedkamer ging hij verder voor de enkelen die hem wel konden waarderen. De VPRO-man was daar niet meer bij. En die Theo Maassen is nu de bekendste cabaretier van Nederland over wie de VPRO-man kan vertellen dat hij bij z’n eerste show was.

Op 15 januari proberen we het nog eens, weer in een bieb. Uithuizen, here I come!

Op maandagmiddag is er geen kroeg in Warffum open. Lourens en ik lopen in de rijpkou naar het station. We staan oog in oog met de coverfoto van Heen en weer. Het bankje, de afvalbak.
“Hier is hij gemaakt.”
De suikerbieten van de foto zijn nog niet gerooid.
“Zijn bieten wintervast dan?”
“Vast wel.”“Misschien zijn het wel geen bieten.”
“Jewel joh.”

Station Groningen, spoor 2. Onze trein wordt de half zes-trein naar Roodeschool. Mijn oude half zes-trein! We stappen uit.

En ja hoor, hoe is het mogelijk, wat een toeval. Ik schrik ervan, daar passeert ze ons, ik zie haar in mijn ooghoek. De Zwartekousenvrouw! Echt gebeurd! De Zwartekousenvrouw stapt in. Zo’n vertrouwde verschijning. Dat ben ik blijkbaar voor haar ook. Want ze kijkt mij aan en kijkt weer weg. Ze kijkt mij weer aan en kijkt opnieuw weg. En dat was het alweer. Van verwarring over de plotselinge ontmoeting met mijn treinbabe doe ik niks. God, wat onhandig allemaal. Net als in het boek.

Read Full Post »

Older Posts »