Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Trein’

Even geen liefs van Roelf

Zes boeken heeft hij in zijn rugzak, Lourens, mijn uitgever. Zes exemplaren van Heen en weer op het Hogeland. We zitten in de trein naar Roodeschool. Ik ga voor het eerst ergens over mijn boek praten. Schrijvers doen dat wel eens. En ik heb voor het eerst ook een boek geschreven ja. Dat leek mij ook wel wat: beetje de schrijver uithangen. Beetje knipogen, beetje handtekeningen krabbelen in versverkochte exemplaren. “Voor Patricia.” ”Voor Sterre.” “Voor Berendina.” “Voor Black Magic Woman.” “Liefs van Roelf.” Dat soort werk. Het is maandag 14 december en ik ga naar de bieb in Warffum.

Zes boeken had hij in z’n rugzak, Lourens. De optimist! We hebben er geen één verkocht. In één reeds gekocht boek mocht ik nog wel mijn handtekening zetten.

Aantal luisteraars: zes. Van wie twee vrijwilligers van de Warffumer bieb. “We zijn uitgenodigd. Dan voel je je toch verplicht te komen”, vertelt één van de twee mij.

Het belooft niet storm te lopen; het blijft akelig rustig na openingstijd half drie maandagmiddag, de drukste biebdag van de week, is mij verzekerd.

Een bibliotheekmedewerker neemt de vragen voor het interview nog even met mij door. Goede vragen.

“Max Westerman”, zegt ze plotseling. “Ergens beschrijf je een vrouw die De Graanrepubliek leest. Ik ken dat boek, we lenen het vaak uit.”
“Zal wel ja.”
“Maar dat is van Frank Westerman! Niet Max Westerman.”

Shit. Dat weet ik ook wel. Max Westerman is die RTL-correspondent in Amerika. Tenminste, dat was hij. Maar in Heen en weer op het Hogeland staat dat hij van De Graanrepubliek is. Is niet zo.
“Beetje stom”, geef ik toe.

Ik vertel het Lourens die de beamer voor de diapresentatie van de foto’s van de stations in orde maakt.
“Weet ik ook wel. Ik heb het ook niet gezien.”
Ik zeg dat ik zelf ook al twee fouten in het boek heb ontdekt. Ik blader ik mijn boek. Bladzijde 75, ik heb er met pen een cirkel omheen gezet.
“Een correctiefout”, zegt Lourens. “Vroeger dacht ik als ik weer eens een pil las en één tikfout ontdekte: ‘Wat stom, een fout!’ Nu denk ik: ‘Wat knap. Maar één fout!’”

(Er staat nog een gekke fout in het boek. Huiskamerlezersvraag: waar? Nee, niet “Ik ben.” op pagina 8. Da’s een kwestie van even goed lezen.)

Een oude man levert boeken in. Eentje van Scot Fitzgerald. Vond ie prachtig. En eentje van Heleen van Royen: De Ontsnapping. Halverwege weggelegd, vond ie niks aan.
“Te veel seks zeker?”, zeggen ik en twee biebmedewerkers tegelijk.
“Een beetje vind ik niet erg, maar dit is overdreven.”

We wachten nog even op de bel van tien over drie. Wie weet komen er nog wat leerlingen van Het Hogeland College opdagen dat aan de Warffum-bieb vastzit.

Er komen geen leerlingen. Ik moet concurreren met de debatclub op school, vertelt de bibliothecaris met het VPRO-kapsel. Hij komt uit Zeeland. Tien jaar geleden werkte ik daar. In Gapinge heeft hij gewoond.
“Noord-Beveland”, denk ik te weten.
“Nee, Walcheren. Bij Veere.”

De Zeeuwse bibliothecaris en zijn collega zitten apart van de bezoekers. Zij gaan mij straks nog interviewen.

De oude man loopt naar de deur.
“U gaat al weg”, roep ik, gespeeld verontwaardigd.  “En hier moet het nog beginnen!”
De man zet z’n tas neer, doet z’n jas uit en gaat zitten. Hij is een bekende dorpeling, hoor ik. Voormalig meester van de lagere school hier vlakbij.

Gemiddelde leeftijd van mijn zes bewonderaars: rond de zestig. Nadat ik wat heb voorgelezen, gaat er een vrouw weg, de jongste van het gezelschap. Ze kwam daar trouwens wel om Heen en weer op het Hogeland terug te brengen. Die had ze net uit. Ze vond het een mooi en herkenbaar boek.

Tijdens nog een stukje voorlezen komt er een frisogende man in een roze trui bij zitten die de gemiddelde leeftijd opeens fors omlaag haalt. Ik zit weer op zes bezoekers. Er komen vragen, de meeste van de twee oude mannen op de voorste rij. Vragen en vooral overpeinzingen over vroeger. Niet dat alles toen beter was. Maar de mentaliteit wel! Ook nog in de oorlog. Want als de trein toen te laat was, klaagden de mensen niet zoals nu.
“En ik altijd maar denken dat de treinen in de oorlog juist zo op tijd liepen.”
Ja, ik flap het er ook zo maar uit.De man heeft een voorbeeld van hoe het vroeger niet ging. Zoals die Theo Maassen Patricia Paay behandelde, dat zouden ze vroeger niet zo doen.

De Zeeuwse bibliothecaris en zijn collega stellen mij vragen. Goede vragen, ze zijn echt geïnteresseerd. En ik antwoord.

Dan is het voorbij. De voormalige schoolmeester steekt z’n hand naar mij op en loopt weg. De jongeman in het roze komt op mij af. Uit een papieren zakje haalt hij mijn boek. Of ik er iets in wil zetten voor z’n vader. Die reed ook altijd naar de stad heen en weer. De man is gymleraar en zegt dat hij het leuk vond, mijn optreden. De vader van deze gymleraar krijgt mijn enige handtekening. Geen liefs van Roelf vandaag.

De biebman met het VPRO-haar heeft opbeurende woorden. Heel lang geleden was hij bij één van de eerste optredens van Theo Maassen. De cabaretier werd genadeloos uitgefloten. Theo werd er zo flauw van dat hij wegliep. In de kleedkamer ging hij verder voor de enkelen die hem wel konden waarderen. De VPRO-man was daar niet meer bij. En die Theo Maassen is nu de bekendste cabaretier van Nederland over wie de VPRO-man kan vertellen dat hij bij z’n eerste show was.

Op 15 januari proberen we het nog eens, weer in een bieb. Uithuizen, here I come!

Op maandagmiddag is er geen kroeg in Warffum open. Lourens en ik lopen in de rijpkou naar het station. We staan oog in oog met de coverfoto van Heen en weer. Het bankje, de afvalbak.
“Hier is hij gemaakt.”
De suikerbieten van de foto zijn nog niet gerooid.
“Zijn bieten wintervast dan?”
“Vast wel.”“Misschien zijn het wel geen bieten.”
“Jewel joh.”

Station Groningen, spoor 2. Onze trein wordt de half zes-trein naar Roodeschool. Mijn oude half zes-trein! We stappen uit.

En ja hoor, hoe is het mogelijk, wat een toeval. Ik schrik ervan, daar passeert ze ons, ik zie haar in mijn ooghoek. De Zwartekousenvrouw! Echt gebeurd! De Zwartekousenvrouw stapt in. Zo’n vertrouwde verschijning. Dat ben ik blijkbaar voor haar ook. Want ze kijkt mij aan en kijkt weer weg. Ze kijkt mij weer aan en kijkt opnieuw weg. En dat was het alweer. Van verwarring over de plotselinge ontmoeting met mijn treinbabe doe ik niks. God, wat onhandig allemaal. Net als in het boek.

Read Full Post »

Jeroen

Dat ik in Stedum in de trein stap. En dat ik dan een reiziger Heen en weer op het Hogeland zie lezen.
Dat zou mooi wezen ja.

“Maar dat is nog niet gebeurd”, blogde ik anderhalve week geleden in The Rookie. Maar dat was anderhalve week geleden. Nu wel!

Omdat zo’n website met je eigen naam toch al zo’n selfkicktrip is, vertel ik het maar even.

Vanochtend, woensdag 2 december, stap ik dus in Stedum in de trein. Het is druk, maar ik kan nog zitten in een vierzitter. Een achteruitrijdstoel, geen probleem. Mijn boek herken ik onmiddellijk. Het ligt op een grijze Converse-tas die op de schoot van een jongen ligt. Hij zit schuin voor mij aan de andere kant van het pad. Ook hij reist achteruit. De jongen leest. In mijn boek! Het ultieme schrijversgeluk. Maar ik twijfel natuurlijk. Want dat kan toch haast niet? Ik buig voorover. En ja, kan niet missen, dat is Heen en weer op het Hogeland! Hij is al best ver. De jongen slaat een bladzijde om. Hij is bij 5 juni: “Jij neukie neukie?”

Ik raak opgewonden. Ik móet wat doen, vind ik. Hem aanspreken! Tuurlijk, maar eerst kijken. En schrijven, schrijven moet ik. Uit mijn tas pak ik het eerste papiertje dat ik tegenkom. Het is een verfrommeld printje van mijn uitgever Lourens. Het dateert van 28 oktober, van twee dagen voor de presentatie van mijn boek. Daar gaat het ook over, over de tweede versie van de speech die ik hem had toegestuurd: “Gerard Reve is uit de toespraak verdwenen. Niet erg want het is een beter verhaal geworden. Oefen maar een keer voor de spiegel.”

Ik kijk naar de jongen. “Zwarte jas”, schrijf ik op. En “zwarte spijkerbroek”. Ik kijk nog eens goed en kras “zwarte” door en zet er “blauwe” boven. Het is zo’n hele donkerblauwe spijkerbroek. “Witte All-Stars met rode letters erop”, schrijf ik verder.

Het meisje met het bruine haar naast mij leest ook een boek: “Hij had een gruwelijke hekel aan ochtenden als hij geen koffie had gehad.”

Ik herken het blonde meisje naast mij aan de andere kant van het pad. Ik haalde haar op de fiets in op weg naar het station, ze woont in mijn dorp. Ze kijkt in een map. “Kunstaspecten binnen reclame”, heet het hoofdstuk dat ze leest.

En dan iets geks, we zijn net uit Bedum vertrokken.

“Deel twee”, hoor ik. Het klinkt hard, het komt uit de intercom. Dat was de machinist. Of ben ik nou gek? Nee, ik zie fronsende gezichten. De machinist zei ‘deel twee’ door de intercom. Naja, zal wel. Beetje raar.

Onder ‘mijn’ boek van de jongen ligt een witte envelop. De jongen heeft een paar kleine pukkeltjes op de linkerkant van z’n gezicht. Ik schat hem op een jaar of twintig.

Sauwerd
Ik buig weer voorover en tik de jongen op de schouder. Hij kijkt mij aan.
“Is het wat?”
Ik wijs naar het boek op schoot.
“Ja leuk”, zegt hij gelijk. “Heel herkenbaar.”
De jongen kijkt serieus. Het lijkt alsof hij zo’n vraag in de trein heel normaal vindt.
“Die conducteurs”, zegt hij. “De Sik, die herken ik.”

Ik glunder. Dat moet wel. Ik heb geen idee hoe dat eruit ziet, een glunderende ik. Maar als ik iets doe, moet dat wel glunderen zijn.

“Ik uuuh”, stamel ik treuzelend.
Want ja, dit heb ik nooit eerder bij de hand gehad. Zo’n moment. Dat ik iemand mijn boek zie lezen, live.
‘”Ik uuuh, ja, dat boek, dat heb ik geschreven.”
“Oh ja?”
De jongen leeft op en zoekt snel mijn foto in het boek op. Hij weet waar die te vinden is, aan de achterkant van de achterflap.
“Oh ja”, zegt hij nogmaals. “Te gek!”

Hij vindt het te gek de schrijver van zijn boek te ontmoeten. Ik vind het ook te gek dat ik mijn eerste live lezende lezer ontmoet. Dat zeg ik ook tegen hem.
Ik vraag hoe hij heet.
“Jeroen.”
Jeroen loopt stage bij de universiteit. Audiovisuele nog wat op Zernike. Jeroen pakt de witte envelop en laat hem aan mij zien, als bewijs. Rode letters. Ik herken de nieuwe huisstijl van de Rijksuniversiteit Groningen.

Jeroen komt uit Loppersum en reist al heel lang met de trein naar Groningen. Ook toen hij nog naar school ging. Hij zegt nog een keer dat het boek heel herkenbaar is. Of ik iets in het boek moet schrijven, vraag ik.
Als ik dan toch schrijver ben, laat ik me dan ook maar zo gedragen. Effe signeren. Dat vindt hij leuk. Jeroen geeft mij ‘mijn’ boek. Zijn boek.

“Voor Jeroen”, schrijf ik op pagina 1.
En nu en nu en nu? Ik moet iets leuks verzinnen! Uuuuuh… Het kogeltje van mijn pen zweeft rondjes boven het papier.
“Je bent mijn primeur!”, schrijf ik dan. “Mijn eerste lezende lezer in de trein. Je bent al ver! Goede reis nog!”
Is dat een goede tekst? Ik hoop het maar.
Te veel uitroeptekens, denk ik.
Ik zet mijn handtekening eronder.
Jeroen is blij met mijn gekrabbel. Dat zegt hij tenminste.

Jeroen jonge, ik zal jou ook nooit vergeten.


Read Full Post »

The Rookie

Dat ik in Stedum in de trein stap. En dat ik dan een reiziger Heen en weer op het Hogeland zie lezen.
Dat zou mooi wezen ja. Maar dat is nog niet gebeurd.

Dat ik in Stedum in de trein stap. En dat een conducteur op mij af stapt en meldt dat hij Heen en weer aan het lezen is. Net zo mooi.
En dat is dus wel gebeurd! Ongeveer.
Dat van die conducteur klopt. Maar niet dat híj het boek las. Dat was zijn vrouw.

Ik stap in Stedum op de trein en zie hem controleren. Niet één van de conducteurs in het boek. Die heb ik al een tijdje niet meer gezien trouwens. Wel die in het TV Noord-filmpje over mijn boek voorkomt. De conducteur met het korte blonde haar die vrolijk lachend het machinistenhok uitkomt. Die tijdens de opnames van het itempje vertelde dat hij nog maar sinds mei op de trein zit. The Rookie! Daarvoor zat hij bij de post. De TV Noord-camjo had hem uitgebreid geïnterviewd, maar we hoorden er geen woord van terug.

The Rookie komt op mij af. Hij herkent mij van toen.
Ja, hij heeft het die avond op TV gezien. En ja, best wel jammer eigenlijk dat hij eruit is geknipt. Maar goed, dat is niet anders. Misschien maar goed ook eigenlijk wel.
“Mijn vrouw heeft hem ook gekocht en leest er nu in.”
“Echt?”
Ik veer op. Alsof ik het nog steeds niet geloven kan dat iemand mijn boek ook echt koopt! Maar hier is er één: de vrouw van een conducteur. En ze leest hem ook nog.
“We hebben hem van jou niet gekregen”, maakt The Rookie een grapje.
Aardige vent.
“Ook niet van jouw directeur”, reageer ik. “Dat had ie best kunnen doen.”
Dat had Anne Hettinga ook best kunnen doen. Tijdens de boekpresentatie waren we graag een doosje boeken aan hem kwijtgeraakt. Voor in het Arriva-kerstpakket bijvoorbeeld, zoals The Rookie tegen de TV Noord-camjo suggereerde. Maar ja, Anne zei publiekelijk geen koopadvies te willen geven. Hij heeft goed naar zichzelf geluisterd. Bovendien kreeg hij zelf al eentje van mij.
“Vindt ze het wat?”
“Ja.”

The Rookie vertelt dat het vorige week ook weer zo vol zat als in het boek.
“En toen zei een man op het balkon tegen mij: ‘Hest doe dit bouk lezen? Zok mor eens doun!’”
“Op dit spoor, naar Groningen?”, wil ik weten.
“Ja.”
Mij treinboek in de trein gelezen, tevreden pak ik mijn treinkaartje tevoorschijn. Hij had er nog niet omgevraagd.
“Ja”, zeg ik, “ik kan het nu niet maken om zonder kaartje te reizen.”
“Je bent nu een bekende Nederlander”, zegt The Rookie.
Ik maak gelijk sussende nou-nou-nou-geluidjes en maak een bezwerend gebaar met mijn hand.
“We hebben nu opdracht extra op jou te letten”, gaat hij verder.
Hij lacht erbij. Alweer een grapje van The Rookie. En best een leuke. Hele aardige vent, deze conducteur.

“Hé!”, schiet me een goeie vraag te binnen. “Is het een beetje bekend, dit boek, bij jouw collega’s?”
The Rookie knikt glimlachend.
Oké, mooi.
“Ook voor mij is het leuk”, zegt hij. “Stoppelbaard, daar heb ik al een naam bij.”
Hij bedoelt Droogstoppel.
Oh god, Droogstoppel. Al een hele tijd niet meer gezien. In Heen en weer noem ik hem ‘die met de hoogste body mass index van het noordelijke conducteurscorps’. Wel grappig vond ik dat, al die keren dat ik het manuscript doorlas. Maar nu nog? Ach, als Droogstoppel het zelf maar grappig vindt. Ik zal er eens over beginnen als hij weer eens controleert.

Read Full Post »

Een Arriva-trein vernoemd naar mij, Roelf Reinders? Als er een deel 2 van Heen en weer op het Hogeland komt, krijg ik m’n eigen trein. Dat beloofde Arriva-directeur Anne Hettinga toen hij op vrijdag 30 oktober het eerste exemplaar van mijn treindagboek in ontvangst nam.

Roelf op Groningen CS

13.00 uur

Ik ijsbeer op station Noord. Een slokje water uit de fles tegen de droge mond. Om negentien over moet ik in de trein naar het hoofstation stappen. Dat hebben ze bij de uitgeverij zo bedacht. Dus dat doe ik. Iedereen moet daar op spoor 1 en 2 dan in spanning op mij wachten: Anne Hettinga en de rest. Kom ik aan op spoor 6a? Dat is het perron dat een grote rol in mijn boek speelt. Kom ik op tijd aan of heb ik vertraging? Ik repeteer mijn praatje nog een keer.

Ik schrijf in het eerste exemplaar een opdracht aan Anne Hettinga. Mooie opdracht, al schrijf ik het zelf. Ik oefen nog een keer mijn speech.

13.19 uur

Ik stap op de trein die uit Delfzijl komt. Raar misschien voor een presentatie van een boek over Uithuizen-Groningen, maar dat merkt toch niemand. Ergens helemaal achteraan ga ik zitten. Nog een slokje water. Ik bewaar een bodempje voor straks.

Zenuwen, heel veel zenuwen. Ik ben niet zo’n prater in het openbaar. Misschien zijn er niet zo veel mensen, dat zou schelen. Maar ja, dat is nou ook weer niet de bedoeling.

Ik adem diep in, niet hoog maar laag. Ik volg de tips van mijn vriendin Anoesjka strikt op. Die kan het weten, want zij is yogajuf, zeg maar een expert in ontspannen. Mijn buik wordt dikker, even vasthouden en los. Nu moet ik de spanning weg voelen stromen. Ik merk er weinig van.

Wat een entree13.24 uur

De trein stopt. Ik neem het laatste slokje water, haal nog eens diep adem en blijf zitten. Ik moet als laatste de trein uit komen. Dat willen ze van de uitgeverij om de spanning erin te houden. Voor míjn spanning is dat niet nodig. Maar ik doe het toch maar, geen probleem.

Ik stap uit. Alsof ik als normaal uitstap, er gebeurt niks. Ik schuifel naar rechts en loop langs de Roodeschool-trein verder richting stationshal. Niemand ziet mij! Ik zie een paar fotografen staan wachten bij de voorste ingang. Daar loopt nog een stroom reizigers de trein uit. Ik glimlach. Tenminste dat zie ik later terug op de foto van de eerste fotograaf die mij opmerkt.

Een grote groep mensen, dertig, veertig man, begint te klappen. Ik ben gezien. Ik zoek Anne Hettinga, ik herken hem meteen. Hij lacht, ik geef hem een hand. Mijn uitgever Maarten Metz zegt wat, de mensen lachen erom. En nu ik.

Achteraf hoor ik van velen dat ze mij niet of nauwelijks hebben verstaan. De Roodeschool-trein maakte te veel lawaai. Ik was daar op voorbereid. Als ik had gemerkt dat een trein te veel lawaai maakte, had ik gezegd: “Anne jonge, kun je die trein niet even uitzetten.” Áls ik dat had gemerkt, maar ik hoorde die trein niet loeien. Iedereen verder wel, maar ik niet. Toch moeten er mensen zijn geweest die mij wel konden verstaan. Ik had een paar hele kleine grapjes voorbereid die ik kon maken of de trein nu wel of niet lawaai maakte. En ik hoorde toch een paar mensen lachen. Minder hard dan ik had gehoopt, dat wel. Maar toch.

Klaar. Nu het boek geven. Dat gaat wat onhandig. Ik ben uitgepraat, wat kan ik nog zeggen? Ik zeg zoiets als “Nou, alstublieft dan maar”. Of misschien bedank ik Hettinga ook wel. Ik weet het niet meer.

Anne Hettinga mag. Hij gaat precies voor de meer dan mansgrote poster van mij staan. Die zie ik voor het eerst. Dat zeg ik ook. Er staat op dat het Hogeland na Ede Staal eindelijk een nieuwe held heeft: ik. De poster is een groot succes. Ik moet er hartelijk om lachen. En de rest om mij, die zo om de onverwachte poster lacht.

Anne en Roelf

Anne Hettinga heeft een groot pak papier vast. Dat is de uitgeprinte versie van mijn boek. Het boek zelf is pas sinds gistermiddag klaar. Het had niet veel gescheeld of dit was een boekpresentatie zonder boek geweest. Ik zie paarse en roze papiertjes tussen de bladzijden. Hij heeft het gelezen, of zijn assistenten, en hij gaat wat met mijn tekst doen. Ik glimlach. Voor mij zit het erop. Ik heb gesproken, er kan niks meer mis gaan.

“Beste Roelf”, begint Hettinga. Hij zegt dat hij mij met de voornaam mag aanspreken omdat ik hem in het boek ook met Anne aanspreek. Ik vind alles goed, mijn taak zit erop. Hij spreekt zijn naam in het Fries uit.

Hettinga begint opeens te wuiven naar een man bij de rookpaal. De man rookt. Die man is de pastoor, zegt Anne, over wie hij net nog met mijn uitgever praatte. Da’s ook toevallig.

Anne zegt een paar keer dat hij geen koopadvies wil geven. Daarmee bedoelt hij denk ik dat hij de mensen niet aanraadt mijn boek te kopen. Maar hij raadt het ook niet af. Bedoelt hij dat de mensen het zelf mogen weten?

“Jullie moeten niet alles geloven wat hier in staat”, zegt de Arriva-directeur. Daar zijn die roze en paarse blaadjes voor. Hij heeft wat in het boek gevonden dat niet klopt volgens hem en dat wil hij even rechtzetten. Hé, het is zijn praatje. Mag. Ik vind alles prima.

Spurt RR?Dan zegt hij iets opmerkelijks. Als er een deel 2 komt van Heen en weer op het Hogeland, dan krijg ik mijn eigen trein. Dan komt er op één van de Arriva treinen ‘Roelf Reinders’ te staan. Eén voorwaarde: Arriva moet het met de inhoud eens zijn. Ik vind het een prachtig verhaal van Hettinga zo tegen de achtergrond van de nieuwe held van het Hogeland. Mooie afsluiter. Ik ben hartstikke blij en trots dat Anne Hettinga, directeur van Arriva Nederland en één van de hoofdpersonen van mijn boek, het eerste exemplaar in ontvangst heeft willen nemen.

Dat was het. Nee dus. De gekte begint. Ik wil zoals het hoort nog even napraten met Hettinga. Maar ik krijg een opengeklapt boek onder mijn neus gedrukt. Ik moet signeren. Mijn uitgever Maarten Metz noemde dat vlak voor mijn praatje ‘signaleren’ en dat heeft grote indruk op de mensen gemaakt. Dagen na de presentatie beginnen mensen die erbij waren er nog over: hij had het over een boek signaleren.

Ik was op het signaleren onvoorbereid. Wat schrijf je op? ‘Voor’ en dan de naam van de koper. Ik heb een paar maar ‘voor mijn favoriete collega’ gebruikt. Niet doen! Ze gaan vergelijken. Ik schrijf de meest gekke opdrachten op.

Mijn uitgever Lourens Vellinga drukt twee boeken in mijn hand. Voor twee Arriva-medewerkers die in het boek worden genoemd. Ik wil heel graag iets aardigs opschrijven. Ik denk dat ik daarin geslaagd ben. Dat hoop ik echt.

Heel even weet ik me aan het signaleren te ontrekken en knoop ik nog een praatje met Anne Hettinga aan. Ik zeg dat ik het echt niet allemaal uit m’n duim hebben zitten zuigen. Het is een kort en vriendelijk gesprek. Hij moet al weer weg.

14.45 uur

De drukte is weg, Anne Hettinga is weg en er is een aantal boeken verkocht. Woow wat een ochtend en middag. Met een klein groepje pakken we de trein naar Uithuizen voor een borrel en wat eten.

perronpoes snuffelt15.33 uur

Station Uithuizen. En wie komt op ons af gerend? Perronpoes! Mijn held. Alsof hij besteld is. Geen idee waar dit over gaat? Lees Heen en weer op het Hogeland! Hij snuffelt aan z’n eigen foto. Ik pak Perronpoes op en aai hem even snel. Heeft dat beest nog steeds vlooien?

Foto’s: Henk Tammens en Eddy Scholtens (Dank!)

Read Full Post »

Een Arriva-trein vernoemd naar mij, Roelf Reinders? Als er een deel 2 van Heen en weer op het Hogeland komt, krijg ik m’n eigen trein. Dat beloofde Arriva-directeur Anne Hettinga toen hij op vrijdag 30 oktober het eerste exemplaar van mijn treindagboek in ontvangst nam.

Overhandiging

Vrijdag 30 oktober, 8.35 uur

Met twee minuten vertraging – heeft ie anders bijna nooit – reis ik naar Groningen. Om half twee is de boekpresentatie. Maar eerst word ik geïnterviewd op Radio Noord. Het gaat beginnen. Het ís al begonnen. Op de deurmat lag al het Dagblad van het Noorden met een interview met mij over mijn treindagboekproject. Mooi verhaal door verkeerverslaggever Frits Poelman (“De geheimen van pubermeisjes in een treincoupé”) met mijn portret uit het boek. Poelman interviewde mij woensdagavond dik drie kwartier. Een deel van mijn gezicht ‘siert’ ook nog eens de voorpagina van de krant. “Roelf Reinders’ kijk op het spoor.” Naast mij Geert Wilders: “Ik ben niet extreem.” Geert en ik die strijden om de aandacht van de lezer, je moet het een keer gedaan hebben.

9.50 uur

Radiopresentator Eric Bats neemt mij mee naar een radiostudio in de Mediacentrale naast de Euroborg. Ik krijg een hoog glas water. Dat komt wel van pas, mijn mond is droog. We zijn met z’n tweeën. Hij stelt wat vragen over mijn boek. Ik praat een eind weg, dat gaat geweldig. Jammer dat de uitzending nog niet is begonnen. Hij heeft het boek pas vanochtend voor het eerst in handen gehad.

“Wat ga je precies vragen”, wil ik weten.

“Geen idee, dat weet ik nooit”, zegt Bats. “Ik bedenk de vragen altijd spontaan.”

Hij wil dat ik een stukje voorlees. Shit, had ik kunnen verwachten, maar dat heb ik niet voorbereid. Ik blader als een gek mijn boek door. Wat ga ik doen? Wat ga ik doen?

Nieuws. Nog meer nieuws. Muziekje. Praatje. Muziekje. Welkom Roelf Reinders.

“Dag”, zeg ik.

Vraag: hoe ik er toch bij kom om een boek over de trein te schrijven? Simpele vraag, tien keer gerepeteerd, maar ik hoor mezelf “uuuuh” en “nou” hakkelen. Dit gaat niet zo goed. Denk ik. Achteraf hoor ik dat het hartstikke goed ging. En na die eerste seconden ge-uuuh loopt het ook wel gewoon. Ik lees het stukje over de Euroborgbrand voor.

10.25 uur

Afgelopen. Ik ben op de radio geweest. TV-verslaggever Anja Otto stormt de studio binnen.

“Goeie stem”, zegt ze. “Rook jij?”

Anja Otto wil mij nu hebben. Ik wil haar nu ook, ik begin er lekker in te komen. Ik herinner me Heleen van Royen die over de publiciteit voor haar nieuwste boek De mannentester zoiets zei als: “Ik doe alles wat ze willen en zeg alles wat ze willen horen.” Ik test alleen geen mannen, maar treinen in mijn boek.

Ze wil met mij in de trein. We fietsen naar het station.

“Dus ík koop de kaartjes?”, vraag ik bij de automaat. Anja doet of ze me niet hoort en rommelt met haar cameraspullen. Dus ik koop de kaartjes. Dat filmt ze.

We stappen in de trein naar Delfzijl. Beetje gek voor een itempje over de trein van Uithuizen naar Groningen, maar die gaat pas over meer dan een half uur.Anja Otto

Anja Otto is een camjo, ze filmt en interviewt op hetzelfde moment. Als ze filmt, worden haar ogen groot en lacht ze breed. Dat leidt wat af, maar geeft ook het gevoel dat ik goed bezig ben.

Een conducteur! Hij geeft mij een hand. Werkelijk nog nooit vertoond. Hij heeft mij gezien in de krant vanochtend. Leuk stukje vond hij. En Anja maar filmen. Komt hij in het boek voor? Nee, zeg ik. Kan ook niet, zegt de man, want hij werkt pas sinds mei op de trein.

We stappen uit in Stedum, bekend terrein. De conducteur is er ook weer. Mooi werk heeft hij, vertelt hij. Alleen soms jammer van de agressie. En hij legt uit hoe je daar het beste mee om kunt gaan. Of hij het boek gaat kopen? Hij denkt van wel. Of misschien krijgt hij het wel van zijn directeur Anne Hettinga, voor in het kerstpakket. Anja filmpt mooie quotes.

In de trein terug komt de conducteur nog een keer langs. Of Anja zijn naam toch maar niet bekend wil maken. Vanwege de veiligheid. Want je kunt nooit weten. Ik knik. Ook Anja begrijpt dat. In het filmpje komt de conducteur niet sprekend terug. We zien hem alleen lachend uit het machinistenhok komen.

Op het hoofdstation staan de uitgevers. Eén van hen heeft boeken bij winkels in de stad rondgebracht. Bij één winkel wilden ze per se weten of er in het boek wordt gevloekt, anders kwam het boek er niet in.

“De auteur kennende niet”, vertelt uitgever Lourens Vellinga met een stralende glimlach.

Deel II volgt. Met daarin de overhandiging van het eerste exemplaar aan Arriva-directeur Anne Hettinga.

Foto’s: Henk Tammens

Read Full Post »